Category Archives: Uncategorized

Toppers

By | Het Alternatief, Uncategorized | 4 Comments

 met Hanneke, Rianne en Nico werken aan challenges, dat is wat ik voor ogen heb en had toen ik begon aan . Samen onderwijs ontwerpen doen we veel op UniC, maar daar hebben we structureel te weinig tijd voor. Challenges zijn vakoverstijgende projecten. We (aardrijkskunde, economie, maatschappijwetenschappen en geschiedenis collega’s) waren we tot de conclusie gekomen dat ons curriculum na 8 jaar was vastgelopen. Incrementele aanpassingen op vakniveau, toenemende examendruk, de veranderende schoolorganisatie en personeelsverloop hadden het vakoverstijgende onderwijs onherkenbaar veranderd. Daarnaast vond ik zelf het didactische uitgangspunt niet goed (meer). Terwijl de achterliggende principes even belangrijk zijn als in het begin, leerlingen blijven aangeven dat ze deze holistische benadering van de school enorm belangrijk vinden en het is voor ons als docenten ook een van de redenen om op UniC te werken. Zo doe je echt aan team teaching. Samen dus.

Vandaar dat we anderhalf jaar geleden besloten om het curriculum grondig te herzien. We zijn zelf met een voorstel naar de schoolleiding gegaan. Rooster ons vrij in de UniC-week (project en toetsweek), huur studenten en stagiaires in om te surveilleren, laat ons een mooie inspirerende ruimte huren en je krijgt er  een nieuw curriculum voor terug. We gebruikten zelf het ontwerpproces dat we ook voor de leerlingen wilden gaan inzetten (een mix van verschillende design thinking methodieken). En zo ontstond er in een paar dagen een alfa versie die we in de maanden daarna tot een beta hebben uitgewerkt, met feedback van (oud) leerlingen, ouders en experts van buitenaf. We zijn nu een jaar verder en het werkt, het is interessant en het is leuk. Maar het kan nog veel beter. Meer de tijd hebben om te onderzoeken, met hulp van buitenaf, wat er goed gaat en anders kan. Veel meer feedback sessies organiseren. Samen problemen met de randvoorwaarden oplossen. Maar daar is gewoon zo weinig tijd voor, en dan begint het weer te wringen. Alweer.

Dit is maar een van de vele voorbeelden. Individuele lessen voorbereiden, bekijken en evalueren met collega’s. Wanneer krijg je dat goed georganiseerd? Wanneer kun je een andere school opzoeken voor inspiratie? Allemaal noodzakelijke elementen in de ontwikkeling van een docent. Voor mij een primaire behoefte. Daar lopen wel heel veel docenten tegenaan en daar vinden we ook allemaal wat van. En toch lopen we steeds tegen een bepaald plafond aan en gebeurt er weinig. Dat is een van de redenen waarom ik op onderzoek ben gegaan en uiteindelijk aan ben begonnen. En nu dus ook Samen Leren. Wat een buitenkans om samen met de politiek en gelijkgestemden concrete ideeën uit te werken. Wie wil dat niet?

 Taal

En dan vinden mensen daar gelukkig wat van, soms gepaard met veel emotie. Veel pijlen lijken zich te richten op het taalgebruik. En eerlijk gezegd hebben ze een punt. “Toppers” roept eerder beelden op van een hossende massa in glitterpak in de Arena dan van die inspirerende docent die we voor ogen hebben. En “Beste van de wereld” “verbetercultuur” “transformatieaanpak” zijn niet de woorden die veel leraren aanspreken. Het is geen onderwijstaal. Kortom het is misschien inderdaad teveel beleidsproza geworden. Aan de inhoud kan dat inderdaad afdoen, en misschien ligt het gevaar van performativiteit op de loer, maar in de kern gaat het er nog steeds om dat leraren, teams, scholen weer over onderwijs kunnen gaan praten. Een gesprek over de achterliggende doelen, de ongrijpbaarheid van ons vak, maar ook dat leraren bij elkaar in de klas gaan zitten en kijken wat er goed gaat.

Voor mij persoonlijk hebben alle stukken over Samen Leren tot nu toe mijn denken al veel verder aangescherpt, maar ik zou alle schrijvers ook een spiegel willen voorhouden. Hoe zouden jullie het zelf doen en organiseren? Naast kritiek op het taalgebruik heb ik heel weinig concrete aanvullingen en alternatieven gelezen. Woorden zijn belangrijk, maar het gaat ook om wat je bereikt. Het beste onderwijs van de wereld? Wat mij betreft betekent dat dat elk kind heel erg goed onderwijs krijgt dat bij hem of haar past. En wat dat precies inhoud daarover zullen we het waarschijnlijk nooit allemaal eens worden, dat is aan scholen. Een van de doelen van Samen Leren is in ieder geval daar de ruimte voor creëeren.

 Verbetercultuur

Inhoudelijk is er ook genoeg over gezegd. Om dicht bij huis te blijven: Het Alternatief gaat niet alleen om het discours op scholen zelf, maar ook hoe je dat organiseert in een systeem. Plat gezegd: verandering boven en beneden. Om die ruimte te laten ontstaan moet er ook wat veranderen in het systeem zelf. Naast bijdragen over het ongrijpbare van leraar zijn stonden er ook systeemanalyses en oplossingen in. Professioneel Kapitaal zoals Hargreaves, Shirley en Fullan ook aangeven, komt niet vanzelf, dat moet ontwikkeld worden. Inmiddels is door allerlei ontmoetingen en boeken mijn eigen denken ook weer veel verder dan toen. Wil je dat de maatschappij en politiek een andere manier van denken en doen in het onderwijs ondersteunen dan kun je niet alleen met zijn allen gezellig daarover gaan praten. Waar haal je om te beginnen structureel de tijd vandaan? Gewoon doen en gewoon beginnen moet inderdaad, maar dat hebben al heel veel leraren en scholen geprobeerd om toch uiteindelijk in het systeem terug te zakken. Ruimte voor experimenten was er niet tot nauwelijks. Aan enthousiasme geen gebrek, aan strategisch opereren des te meer.  Om Thijs Jansen te parafraseren. Als wij het niet doen, dan doet iemand anders het wel. En eerlijk gezegd ben ik tot nu toe niet heel erg onder de indruk wat die mensen bedacht hebben.

Een van de manieren waarop we die ruimte willen bewerkstelligen is dat de onderwijs- en lestijd herzien worden. Leraren geven nu gewoon teveel les en leerlingen krijgen te versnipperd en niet uitdagend onderwijs.  Leraren zouden meer formatief moeten toetsen en een zelf duurzaam schoolcurriculum ontwerpen. Tegelijkertijd vraagt de politiek terecht waarborgen als ze die vrijheid creëren. Met alleen maar “vertrouw ons” kom je er niet. Dan kom je bijvoorbeeld uit op professionele leergemeenschappen en het idee dat die een veel betere kwaliteitsgarantie bieden en tot beter onderwijs leiden. Dan kom je ook uit op een innovatiepot voor en door docenten. Heb je een idee? Wil je een fablab? Een challenge onwikkelen. Dan kunnen leraren daar gelijk met tijd en middelen mee aan de slag.

Van professionele leergemeenschappen zijn inmiddels heel veel goede voorbeelden te vinden in Nederland en daarbuiten: leerKRACHT, Lesson Study, Vierslag Leren, Teach and Learn. Tot grote tevredenheid van veel docenten. Stichting leerKRACHT is grotendeels zo succesvol omdat het een grassroots beweging is en docenten niets oplegt, maar het opent wel de klasdeuren en brent het gesprek op gang. Ook op mijn school. En dan is het goed dat daar onderzoek naar wordt gedaan (via het NRO). Ik ben namelijk wel benieuwd wat er nou werkt en niet. Er is al heel veel internationaal onderzoek dat het werkt (zie bijvoorbeeld het werk van Ann Lieberman), maar die kunnen lang niet altijd vertaald worden naar onze specifieke Nederlandse situatie.

 Het Register

Daarnaast is er veel te doen over het lerarenregister en de Onderwijscoöperatie. Eigenlijk is het te gek voor woorden dat het geen vanzelfsprekendheid is dat leraren aan tafel zitten als gesprekspartner bij de politiek over onderwijsinhoud. De bonden spelen daar een rol in, maar voor die professionele ruimte is meer nodig, een sterke beroepsorganisatie. Rene en ik hebben ooit met het idee gespeeld om een lerararenraad op te richten, de website is er nog steeds. Maar na een aantal gesprekken kwamen we tot de conclusie dat nog een club geen zin had. Het onderwijs is soms net als in de Spaanse Burgeroorlog een bende van revolutionaire clubjes die elkaar de tent uitvechten. Revolutionaire clubs zijn er al genoeg, terwijl er al veel energie in de Onderwijscoöperatie is gestoken. Daar werken veel docenten aan een sterkere beroepsgroep. Veel meer dan mensen denken.

Maar wat is dat dan die beroepsgroep? Iedereen die lesgeeft? Iedereen die een lesbevoegdheid heeft? In de meeste landen met een register zeggen ze beide. Om een beroepsgroep te organiseren zullen we ons moeten gaan registreren. Dan hebben we intern en extern inhoudelijk een aanspreekpunt, een organisatie die  meer bevoegdheden naar zich toe kan trekken en een beroepsgroep die serieus wordt genomen omdat het zelf ook een kwaliteitsstandaard aanhoudt. Nogmaals je kunt je van alles laten overkomen of je neemt als beroepsgroep zelf het voortouw.

Dat kun je bijvoorbeeld in een simpele vorm organiseren door een eenmalige registratie als je je bevoegdheid hebt gehaald met daaraan gekoppeld een tuchtraad zoals in Schotland. Of een register met urenregistratie van gecertificeerde opleidingsuren zoals verpleegkundigen sinds een paar jaar hebben. Of misschien bovenop zo’n basisregister een uitgebreidere inhoudelijke kwaliteitstoets zoals de National Board for Professional Teaching Standards in de Verenigde Staten. Een leraar met master teacher certificaat heeft dan toegang tot allemaal beleids- en ontwikkeltrajecten. Teacher leadership zoals in Singapore. En waarom dat ook niet beter belonen? Beloon die inspanning! In Schotland hebben leraren ook toegang tot onderwijskundig onderzoek via hun Teaching Council. Waarom niet curriculumontwikkeling bij een geregistreerde beroepsgroep neerleggen? Als het register in ieder geval maar inhoudelijk zinvol wordt uitgevoerd en aansluit bij de lespraktijk. In andere sectoren en in het buitenland zijn in ieder geval genoeg voorbeelden waar het wel is gelukt. Dat moet bij ons ook mogelijk zijn.

Voorwaarde is dan wel dat we het eigenaarschap van de Onderwijscoöperatie breder trekken dan nu alleen lidmaatschap van de deelnemende organisaties. Inschrijven in het register is inspraak in het register de beroepsorganisatie. Die kun je dan ook meer verantwoordelijkheden toevertrouwen. Een realistische optie is om dan in het bestuur naast de bonden ook zetels in te ruimen voor registerdocenten. Zo’n hybride optie bleek juist ook een van de voorwaarden voor succes in Schotland. In Engeland waar dat niet het geval was is de Teaching Council inmiddels weer ter ziele gedragen. De bonden geven de beroepsgroep ook organisatiekracht en massa.

Een andere voorwaarde is dat het register van de beroepsgroep zelf is. Advies van andere partijen is prima, maar de eindverantwoordelijkheid ligt bij leraren. Anders wordt het een beleidsinstrument in handen van de politiek en werkgevers en daarmee creëer je juist niet die ruimte die nodig is om professional capital te ontwikkelen.

Ten slotte zouden we de beroepsorganisatie ook op dezelfde manier kunnen financieren als de raden, een bedrag per leerling. Vraag voor het register een bijdrage van docenten, maar maak de organisatie onafhankelijker van OCW en laat het op gelijke voet staan met de PO, VO en MBO-Raad. Er staan genoeg versnipperde projecten op de begroting bij OCW waarin gesneden kan worden om dit te bekostigen.

Het gaat nu te ver om Samen Leren helemaal inhoudelijk te becommentariëren. Alles moet nog verder worden uitgewerkt. Daar hebben we natuurlijk wel concrete ideeën bij. Minder vakken betekent bijvoorbeeld niet dat er vakken verdwijnen, maar dat er in minder vakken examen wordt gedaan. Variëren in beloning is geen prestatiebeloning. Het ontwerpen van het curriculum moet veel meer open, transparanter en met een grotere rol voor docenten. En over salariëring is het laatste woord ook niet gezegd. Uiteindelijk is het heel veel geven en nemen en hebben alle partijen: leraren, schoolleiders, bestuurders, bonden, raden, politiek, OCW, lerarenopleidingen, het hoger onderwijs en heel veel anderen hier een rol in.

Maar compromissen sluiten betekent niet gelijk inkapselen, integendeel. Ik ben hier ingestapt met een bepaalde overtuiging dat we de ideeën van Het Alternatief in de praktijk kunnen brengen. Voor mij is het nooit alleen een intellectuele exercitie of theoretische vingeroefening geweest. Ik wil dat er wat verandert. Als  onderwijswoordvoerders van regeringspartijen oprecht toezeggen hier werk van te willen maken dan druist het juist in tegen het principe van Het Alternatief om niet die stap te wagen? We vragen toch om lef? Om onze nek uit te steken? Dat we het initiatief naar ons toe trekken? Dat kan uiteindelijk alleen in de praktijk. Door stappen te zetten en door het te doen. Gaat het lukken? Ik heb geen idee, maar ik heb wel hele goede hoop.

Leerlingen

Misschien is het is goed om te eindigen met wat leerlingen hier nou eigenlijk mee winnen. Ik denk dat ze hierdoor veel meer ruimte krijgen om ook zelf invulling te geven aan hun onderwijs omdat ons onderwijssysteem en scholen veel flexibeler kunnen gaan werken. Dat ze samen met docenten veel meer de verdieping kunnen opzoeken omdat docenten daar eindelijk de tijd en ruimte voor hebben. Dat het curriculum veel relevanter en uitdagender zal zijn en dat het ze daardoor ook beter voorbereid op de toekomst. En  dat ze steengoede en inspirerende docenten voor hun neus hebben omdat die eindelijk de ruimte en tijd hebben om hun lessen goed voor te bereiden. En daarmee bedoel ik juist ook de zittende docenten die nu ook al hun stinkende best doen.

Wat ik hierboven beschrijf zou een verdere invulling van Samen Leren kunnen zijn, maar het staat niet in steen geschreven. Wat wel vaststaat is dat het een geheel is, dat is de afspraak. Geen deeloplossingen en pleisters meer, die hebben we al genoeg gehad. Naast een eerste aanzet is het ook een uitnodiging om hieraan mee te denken en te werken. We zijn inmiddels met de minister, de staatssecretaris, andere poltieke partijen, de bonden en de raden in gesprek geweest om samen punten uit te werken. Morgen gaan we het gesprek aan in de Balie en hopelijk kunnen we dat “samen” nog veel groter maken

Samen Leren

By | Flip the System, Het Alternatief, Uncategorized | 7 Comments

Een half jaar geleden kwamen we met negen mensen uit het onderwijs met vijf politici bij elkaar om te verkennen wat er beter kan in het onderwijs. Iedereen kon vrij praten onder de voorwaarde dat het binnen vier muren bleef en onder Chatham House Rule. Vier muren ergens in de Tweede Kamer in dit geval. Vanaf het begin was dit een gesprek, of misschien is een beter woord onderzoek, van een niveau dat ik niet veel heb meegemaakt in het onderwijs. Iedereen sprak met zoveel kennis van zaken, maar ook met veel vuur over het onderwijs. En er kwam al heel snel een gezamenlijk idee naar voren, nog niet concreet, maar vol met mogelijkheden. Ik was na eerste bijeenkomst in de Tweede Kamer enthousiast en ook vol ideeën.

Een half jaar later zijn we tot een voorlopige conclusie gekomen. Een plan dat “: aanbevelingen uit het onderwijs”  heet. Het is een notitie op hoofdlijnen waar veel mensen binnen en buiten het onderwijs zich hopelijk in kunnen vinden. Maar het staat niet in steen geschreven en veel moet nog worden uitgewerkt. Die ruimte is ook belangrijk want we moeten er samen uitkomen. The devil is in the details en zeker in de implementatie. Bij deze dan ook een uitnodiging om mee te denken en het verder in te vullen.

Meer informatie

  • De notitie “Samen Leren” (PDF)
  • Volkskrant artikel (Ik had graag een andere insteek gezien die recht doet aan iedereen die er bij betrokken is) (Blendle)
  • Facebook pagina (link)

Mensen

Onderwijs: Hetty Belgers, Jet Dekkers, Jelmer Evers, Ilja Klink, Rene Kneyber, Laurens van Lier, Ruud Porck, Jaap Versfelt en Eric van ’t Zelfde

Onderwijswoordvoerders van de Tweede Kamer-fracties van de VVD en de PvdA, te weten: Pieter Duisenberg, Karin Straus, Tanja Jadnanansing, Loes Ypma en Mohammed Mohandis

Belangrijke aanbevelingen

“1. “De ambitie over de hele linie omhoog

  • Neerzetten van een breed gedeelde hoge ambitie op leerlingdoelen, kwaliteit van leraren en verbetercultuur op scholen
  • Het herzien van het curriculum en het laten uitwerken van dit curriculum door de beroepsgroep leraren

2. Pressure en support om een verbetercultuur op scholen te creëren:

  • ‘Support’ voor scholen bij het creëren van een verbetercultuur met transformatieaanpakken met bewezen impact (denk leerKRACHT…)
  • ‘Pressure’ op scholen om een verbetercultuur te vormen door transparantie en onderlinge peer review (ipv alleen door de Inspectie)

3. Randvoorwaarden realiseren voor een verbetercultuur op scholen:

  • Afschaffen van de normjaartaak
  • Verder flexibiliseren van de lestijd en de onderwijstijd
  • Verminderen van het aantal vakken waar kinderen op het VO uit kiezen, zodat leraren de verdieping kunnen zoeken
  • Loskoppelen van toetsen die de kwalificaties van leerlingen veilig stellen (bijv. CITO eindscore, CSE) van toetsen die leraren in staat stellen het onderwijs te verbeteren (bijv. leerlingvolgsystemen, SO) en die laatste toetsen daarom niet meer meenemen in het beoordelen van scholen

4. Zorgen dat toppers weer leraar willen worden. 

  • Strenge toelating op de lerarenopleidingen en PABO’s
  • Veel betere lerarenopleidingen, met een verbetercultuur
  • Betere arbeidsvoorwaarden voor uitstekende leraren (en net als in andere beroepsgroepen tekortschietende leraren kunnen ‘schrappen’)

5. De beroepsgroep Leraren versterken (door omvormen van de Onderwijscoöperatie tot onafhankelijke vereniging van leraren, vergroten rol lerarenregister, zeggenschap over curriculum, een innovatiefonds, etc.)”

Rapport: Meerwaarde van Eigentijds Onderwijs

By | Uncategorized | No Comments

Kennisnet en hebben net het rapport “Meerwaarde van eigentijds onderwijs: Een verkennend onderzoek naar niet-cognitieve resultaten van Pleion-scholen”. Zoals ik al aangaf bij mijn redenen om “New Pedagogies for Deeper Learning” te steunen moeten we meer en grootschaliger gaan onderzoeken wat de waarde is van progressief onderwijs. Progressief vind ik overigens een betere term dan vernieuwend of eigentijds. Het past in een lange traditie.

Het is, zoals wordt aangegeven, een verkennende studie. De resultaten zijn gebaseerd op kwantitatieve en kwalitatieve zelfevaluatie, waarbij ook leerlingen uit meer traditioneel onderwijs zijn betrokken. Stevige conclusies kun je er niet uit trekken. Maar ik ben blij dat er  onderzocht wordt waar we mee bezig zijn. Het is een begin en een aanzet voor meer onderzoek. Er staan interessante case-studies, interventies en observaties in. Dus ben je geïnteresseerd om je onderwijs (iets) anders vorm te geven, dan is het zeker de moeite waard om het een keer door te nemen.

Uit het rapport:

“Onderzocht is hoe de integrale vernieuwingsscholen verenigd in Pleion hun leerlingen eigentijdse vaardigheden aanleren. Daarbij gaat het om vier competenties voor zelfsturend leren: (1) de regie nemen over je eigen leerproces, (2) reflectie, (3) leerstrategieën toepassen en (4) samenwerkend leren. Daarnaast is gekeken naar (5) creativiteit en (6) de vertaalslag maken van leerstof naar werkelijkheid. En: hoe faciliteren deze scholen het eigentijds onderwijs met richting, ruimte en ruggensteun?”

Resultaten:

“• Leerlingen bij Pleion-scholen ervaren meer ruimte en iets meer ruggensteun bij hun school dan dat leerlingen in het regulier onderwijs dat bij hun school ervaren.
• Leerlingen bij Pleion-scholen scoren hun competenties voor met name leerstrategieën inzetten en samenwerkend leren hoger dan leerlingen in het regulier onderwijs doen. Bij zelfreflectie is een verschil te zien, maar in mindere mate.”

Conclusie:

“Uit de good practices komt naar voren dat het vormgeven van een leeromgeving waarin de leerling zelfsturend kan leren complex is. Deze complexiteit is gelegen in het in samenhang ontwikkelen van het docentteam, het onderwijsprogramma en het management. Richting, ruimte en ruggensteun zijn in  dit veranderproces cruciaal. Op alle niveaus. (…)

Zo is richting, ruimte en ruggensteun belangrijk in de transitie naar eigentijds onderwijs. Soms is wat meer richting vereist, soms ruimte en soms vooral ruggensteun. Hoe het ook zij: de sleutel daarvoor ligt in handen van het management. Want het voorleven van de onderwijsvisie is een krachtige interventie die een groot effect heeft op de schoolcultuur.”


 

Blogpost Kennisnet: link
Volledige rapport: link

 

New Pedagogies for Deeper Learning

By | Uncategorized | 4 Comments

“Werkt het eigenlijk wel wat jullie doen?” Dat vroegen een vader en een meisje me op een open dag van UniC. Alhoewel, het was met name de vader die hierin geïnteresseerd was. Ze waren duidelijk enthousiast, maar de vader had zijn twijfels. “Het is niet zoals vroeger he?” Werkt het? Die vraag is me zo vaak gesteld op UniC. Op open dagen met ouders, gesprekken met docenten op andere scholen, docenten die komen kijken hoe we het doen. Mijn antwoord is dan volmondig ja. Niet dat alles perfect is, natuurlijk niet, maar als ik zie hoe kinderen bij ons tot wasdom komen dan kan ik zeker vaststellen dat we iets goed doen. Dat iets zit in persoonlijke ontwikkeling, zelfreflectie, empatisch vermogen, een brede, holistische kijk op de wereld. Daar draagt de onderwijsvisie, maar met name de pedagogische kijk (opdracht?) van docenten het meest aan bij. Dat zorgt ervoor dat we het anders aanpakken dan de veel andere scholen. Als ik ergens nooit spijt van zal krijgen dan is het mijn overstap naar UniC. Dat was de beste stap die ik als docent heb gedaan.

Maar dat “iets” is niet genoeg. Je moet meer inzicht krijgen in wat er terecht komt van je onderwijsvisie- en inspanningen. Maar dan niet puur op een “meten is weten” manier. Examencijfers zeggen wel iets over een bepaalde cognitieve ontwikkeling, maar meer dan een ijkpunt is het in mijn ogen niet. Onderwijs is veel te complex om puur in data te vatten, en zeker niet als die data bestaan uit een paar cijfers. Maar we hebben wel informatie nodig om te kunnen handelen. Natuurlijk wordt er ook wel onderzocht wat er werkt op vernieuwingsscholen, maar dat is toch te kleinschalig, nog niet gericht op de juiste onderwerpen en is te weinig zichtbaar in mijn ogen. Daardoor blijf je voor de buitenwereld te vaak met lege handen staan.

Daarnaast vindt er onder docenten weinig samenwerking en kennisuitwisseling plaats: kijken wat werkt, samen ontwikkeling, experimenteren. En dan niet alleen binnen je eigen school. Juist ook scholen onderling zouden veel meer samen moeten ontwerpen en borgen waar ze mee bezig zijn. Professionele leergemeenschappen vormen. Ook daarin zijn we niet goed als vernieuwingsscholen en hebben we veel laten liggen. Ik kan daar genoeg systemische redenen voor aanwijzen, lees bijvoorbeeld Het Alternatief, maar daarin hebben we zelf ook een rol.

We moeten samen ontwerpen, onderzoeken en verbeteren. En kijken naar nieuwe (of oude) pedagogisch/didactische vormen, andere manieren van assessment, borgen van verbeteringen en vernieuwingen binnen scholen. Waarbij leerlingen daadwerkelijk passend en uitdagend onderwijs krijgen (niet perse gepersonaliseerd!) Daar gaat het om. Willen we vertrouwen krijgen dan moeten we dat vertrouwen zelf gaan organiseren. Dat kun je als docent, als school, en zelfs als scholen niet alleen. Daar heeft iedereen, ook de inspectie, een rol in.  Alleen op die manier kunnen we structurele onderwijsverbetering bewerkstelligen.

Vandaar dat ik toen ik de vraag kreeg of ik mee wilde werken aan het opzetten van de Nederlandse tak van New Pedagogies for Deeper Learning van Michael Fullan ja zei. Michael Fullan en Andy Hargreaves hebben door “The Global Fourth Way” en “Professional Capital” mijn blik op onderwijs (verbetering) fundamenteel veranderd. En Fullan heeft met name in Canada al veel goeds bereikt door dat professionele kapitaal in het hele systeem in te zetten. Ik ben het niet met alles en iedereen eens, de “school is saai” mythe doet geen recht aan de werkelijkheid. Maar door mijn eigen praktijkervaring weet ik wel dat het anders kan en dat dat alleen kan door breder dan je eigen school te opereren.

New Pedagogies for Deeper Learning streeft ernaar om 1000 scholen in 10 landen in een netwerk te laten opereren. Waarbij het niet de bedoeling is om onderwijs op te leggen, maar juist om samen en juist ook binnen de eigen, lokale schoolcontext te verbeteren. Nieuw onderwijs ontwerpen en onderzoeken binnen je eigen school, samen met een eigen cirkel van scholen, geborgd in een internationaal onderzoek. Om zo samen te onderzoeken wat werkt en hoe we op die manier dat leren zichtbaar kunnen maken. Docenten nemen zelf het voortouw, voeren het uit, gaan bij elkaar in de klas kijken en ontwikkelen zelf de vaardigheden die nodig zijn om dit onderwijs mogelijk te maken.

Een bijkomend voordeel is ook dat er vanuit de overheid (OCW en inspectie) eindelijk ruimte lijkt te ontstaan om flexibeler en diverser onderwijs aan te bieden. Door blended learning en het vormen professionele leergemeenschappen is het mogelijk om meer te experimenteren in tijd en vorm. Die handschoen moeten we opnemen. Veel scholen en docenten staan aan het begin van grote veranderingen. Dat kunnen en moeten we samen doen. Zodat we vol zelfvertrouwen aan de wereld kunnen laten zien waar we mee bezig zijn.

Bij deze is iedereen van harte uitgenodigd om mee te doen. Het is de bedoeling dat we in november van start gaan. Mocht je interesse hebben dan kun je hieronder meer informatie vinden en je bent van harte welkom op

  • 12 september, 14-15:30 Freudenthal Instituut Utrecht (pdf)
  • 19 september, 14-15.30 PO Vrij Universiteit Amsterdam (pdf)

Kijk op
www.newpedagogies.info
www.newpedagogies.nl

Volg
@woutervj
@marlouvanbeek
@newpedagogies

 

Een echt register

By | Uncategorized | 2 Comments

Deze tekst verscheen ook in “Van Twaalf tot Achtien”

In Nederland hebben we de neiging om alles weg te polderen. Dat is zeker het geval bij het lerarenregister. Oorspronkelijk bedoeld om de status van leraren op een lijn te krijgen met andere professionals: artsen, advocaten en ook verplegers bijvoorbeeld. Allemaal voorbeelden van beroepen met hun eigen register waarin je ingeschreven moet staan om je beroep uit te mogen oefenen. Zo niet bij leraren. Na de lerarenopleiding is er nergens de mogelijkheid om je als professional te registreren.

Bij veel beroepen heeft de beroepsgroep zelf de invulling en handhaving van een register ter hand genomen. Bij artsen is dit bijvoorbeeld een langdurig en moeizaam proces geweest. Hetzelfde geldt voor het lerarenregister. Er wordt constant aan getrokken door verschillende partijen. De overheid en de raden proberen steeds het register voor hun eigen doeleinden te gebruiken, terwijl het daadwerkelijke slagen ervan alleen maar bij de beroepsgroep kan liggen. In dit geval verenigd in de Onderwijscoöperatie. Die heeft goed werkt verricht doordat veel docentenorganisaties nu met een stem kunnen gaan praten. Het probleem is echter dat de Onderwijscoöperatie weinig legitimiteit en ook bekendheid geniet door het trapsgewijze lidmaatschap. Je bent lid via de lidorganisaties: de vakbonden, vakverenigingen en BON.

Om inspiratie op te doen hoe het ook kan kunnen we de Atlantische Oceaan oversteken. De Amerikanen zijn een stuk verder dan wij. Certificering is daar geregeld op statelijk niveau. De federale overheid heeft traditiegetrouw minder te zeggen over onderwijs. In de praktijk betekent dit dat elke staat een certificeringsproces eist van leraren. Je moet gecertificeerd zijn om les te kunnen geven, een  teaching license. Daarmee behaal je een basiscertificicering die om de paar jaar vernieuwd moet worden. Je moet dus laten zien dat je aan professionalisering hebt gedaan. Tot zover komt dat redelijk overeen met ons lerarenregister.

In 1987 kwam een coalitie van leraren, vakbonden, politici en het bedrijfsleven tot de oprichting van de National Board of Professional Teaching Standards (NBPTS). De NBPTS is verantwoordelijk voor landelijke certificering van leraren.  Het verschil met de staten is dat het voor- en door leraren wordt gedaan en dat de eisen enorm hoog zijn. Er zijn vijf kernwaarden geformuleerd waaruit een gedetailleerde beschrijving volgt waaraan leraren moeten voldoen. Leraren verkrijgen uiteindelijk een certificaat per vakgebied, die vakinhoudelijke en didactische eisen kunnen dus verschillen. Maar veertig procent slaagt bij de eerste certificeringspoging en zeventig procent is geslaagd na de derde poging. Hierdoor is een NBPTS een kwaliteitsstandaard geworden in plaats van een afvinklijstje van nascholingscursussen die zijn gevolgd.

Inmiddels is er over het lerarenregister een compromis uitgerold. Een verplichte registratie met het bijhouden van die registratie op vrijwillige basis. Ik ben tot de conclusie gekomen dat deze polderoptie ook kansen biedt. Het tweesporenbeleid is misschien zo gek nog niet. Een verplichte basislicentie opent de deur naar een meer flexibelere accreditatie van leraren. Zonder dat dat de kwaliteit in de weg hoeft te staan. Dat ligt bij ons als beroepsgroep. Daarnaast kunnen we een NBPTS-achtige kwalificatie invoeren, die van expert-leraar, waarvan goed is geformuleerd waaraan moet worden voldaan en het kwalificatieproces is veeleisend. De algemene formulering ligt dan bij de beroepsgroep en aanvullende vakinhoudelijke eisen worden geformuleerd en getoetst door de vakverenigingen. Die dan eindelijk ook meer gewicht krijgen. Aan die expert-leraar zit ook een hoger salaris verbonden en toegang tot teacher-leadership trajecten die ook in ons hele onderwijsbestel worden gecreëerd. Voorwaarde hiervoor is wel dat de Onderwijscoöperatie hervormt, registreren is inspraak. Legitimiteit is een voorwaarde om dit tot een succes te maken.

De weg naar goed onderwijs ligt onder andere bij goede docenten die hun eigen kwaliteit bewaken, het raamwerk van het register en de Onderwijscoöperatie ligt er al. Laten we er nu voor zorgen dat het daadwerkelijk een succes wordt.

Herkansing eindexamen geschiedenis

By | Uncategorized | No Comments

Nog een laatste keer een examen blogpost voor de examenkandidaten die nog één keer geschiedenis moeten doen voor hun herkansing. Je kunt nog een hoop doen in de dagen die je nog hebt. Je hebt het namelijk allemaal al een keer gezien en gehoord het afgelopen jaar. Dat is een goede basis om de stof je nog beter eigen te maken. Ik heb wat hieronder staat met mijn eigen leerlingen  doorgenomen.

Neem ten eerste het eindexamen nog een keer door. Kijk het zelf met het antwoordmodel na en bespreek het daarna eventueel met je docent. Probeer te achterhalen waar je je kunt verbeteren. Benoem je te weinig de begrippen? Gebruik je de bronnen niet goed? Zit oorzaak en gevolg er voor een thema niet in? Dat zijn een paar voorbeelden waar je aan kunt denken. Bekijk van tevoren deze twee filmpjes over examens maken en leren. Hier is een analyseformulier dat je kunt gebruiken. Met deze analyse kun je aan de slag. Je kunt de planning die hieronder staat gebruiken. Ga niet zomaar lukraak leren, maar probeer het echt gestructureerd, met de ideeën van hieronder, aan te pakken.

Vrijdag/zaterdag/zondag
Neem de stof nog een keer door met de examenkaternen/examenbundel

Na/tijdens elk hoofdstuk doe je het volgende:

  • Begin met het onderwerp waarop je het beste hebt gescoord, je kunt er ook voor kiezen om daar iets minder tijd voor uit te trekken.
  • Lezen en video’s kijken .
  • Begrippen en jaartallen opschrijven op kaartjes, aan de ene kant het begrip en aan de andere kant korte uitleg. Of online op www.quizlet.com (maak twee groepen: Republiek en VS) Daarmee overhoor je jezelf kort als je klaar bent met het hoofdstuk. Ik raad je quizlet aan.
  • Maak daarna na elk hoofdstuk  online toetsen die bij je methode horen en daarna de toepassingsvragen die in de examenbundel bij dat hoofdstuk horen.
  • Sluit elk onderwerp af met twee examens en begin daarna pas aan het volgende onderwerp. Uit 2012/2013 Eerste Tijdvak (mei) en Tweede Tijdvak (juni/herkansing) Je maakt dus steeds een half examen wat bij het onderwerp hoort

Maandag

  • Stel vast waar de gaten liggen. De stof is netjes opgedeeld in paragrafen. Maak in een tabel een overzicht hiervan
  • Neem je gemaakte werk door met je docent op school.
  • Focussen op die gedeeltes waar je je nog onzeker over voelt. Met het boek (werkplaats katern of examenbundel) waarmee je het prettigst werkt.
  • Een tijdlijn/mindmap maken over deze gedeeltes werkt ook erg goed.
  • Maak bij deze gedeeltes de vragen die bij geschiedeniswerkplaats achter elk hoofdstuk te vinden zijn. Of de relevante opgaven uit je examenbundel.

Dinsdag

  • Maak het examen van dit jaar nog een keer! Zowel HAVO als VWO. Focus je daarna nog even op de vragen die minder goed gingen. Doe dit eventueel met iemand samen. Vraag om feedback.

Woensdag
Super goed examen maken en gewoon slagen!

Dit is even knetterhard werken, maar dan zit het er echt wel goed in! Probeer je aan dit of je eigen schema te houden.

Is een nieuw curriculum genoeg?

By | Uncategorized | 2 Comments

“Een maatschappijwetenschappen toets [Examen, JE], 1 dag voor de Europese verkiezingen, zonder ook maar één vraag over Europa. Gemist kans jongens!” zo tweette een leerling van me gisteren. De Europese verkiezingen zijn vandaag. Belangrijke verkiezingen, maar niet als je de opkomstpercentages bekijkt. Die zijn van oudsher al laag en de trend gaat naar beneden. Als je bij leerlingen begint over de EU dan wordt er vaak gezucht en gesteund.  Terwijl dit bij uitstek een onderwerp is wat er ook voor hun toe doet, zou moeten doen. We zitten midden in een economische crisis, enorme geo-politieke veranderingen, technologische disruptie, toenemende ongelijkheid en bijbehorend gevaar voor onze democratische samenleving. En zijn ze daarin geinteresseerd? Maken ze zich zorgen? Absoluut! Daar moeten we in het onderwijs wat mee. Antwoorden hierop zullen met name in Europees verband moeten worden gevonden. En het vergt natuurlijk een multidisciplinaire aanpak. Het is niet zo dat Europa in vakken niet terug komt, integendeel. Maar het zit wel in vaksilo’s zonder dat er vanuit verschillende lenzen, historisch, economisch, geografisch, sociologisch, etc naar wordt gekeken. Laat staan dat er iets zinnig op het examen wordt gevraagd.

Natuurlijk gebeurt er ook veel goeds op scholen, maar vakoverstijgend werken, aansluiten bij dit soort actuele thema’s op een structurele wijze vindt weinig plaats. Die voorbeelden zijn vaak ad hoc en bovenop het bestaande programma. En scholen die daadwerkelijk zo werken zijn op net iets meer dan twee handen te tellen. Niet dat elke school dat perse moet, maar er kan veel meer.

Het is passend dat de Onderwijsraad in deze tijd van examens en Europese verkiezingen een belangrijk advies heeft uitgebracht om het curriculum te vernieuwen en om het proces van vernieuwing ook te verbeteren. Ten eerste is dit een noodzakelijk en goed initiatief. Zoals de Raad constateert zijn de curricula in Nederland fragmentarisch, weinig coherent en achterhaald. Daarnaast laat het rapport wel kansen liggen. De geboden oplossingen en analyse zijn wat mij betreft te  oppervlakkig en nog te 1.0.

Een nieuwe tijd?

De Raad gaat ervan uit dat wat er onderwezen wordt op scholen niet meer voldoet aan de huidige tijd. Toenemende flexibilisering en automatisering zorgen ervoor dat de aard van werk fundamenteel aan het veranderen is. Een leven lang het zelfde werk doen is er niet meer bij, integendeel. Tyler Cowen in “Average is over” en Erik Brynjolfsson in “The Second Machine Age” beredeneren zelfs dat er in de toekomst meer banen verdwijnen dan erbij komen. Geo-politiek vindt er ook een aardverschuiving plaats. Over 20 jaar zit geen enkele Europese economie meer in de top 10 BNP. Iedereen die denkt dat dit geen enorme politieke en maatschappelijke gevolgen zal hebben houdt zichzelf voor de gek. Ongelijkheid neemt ook steeds verder toe in de Westerse wereld. In “Capital in the 21st Century” toont Thomas Piketty aan dat de toenemende gelijkheid in de twintigste eeuw wat dat betreft eerder een uitzondering is dan de regel. Water, olie, milieuververvuiling, klimaatverandering stellen de hele wereld als geheel voor enorme uitdagingen die ook alleen integraal kunnen worden aangepakt.

Als antwoord hierop zou het onderwijs moeten veranderen. We moeten bij onze kinderen, en onszelf,  de nadruk leggen op meer dan alleen maar de vakken die nu worden aangeboden. Daarbij wordt de term 21st Century Skills vaak gebruikt: probleemoplossend vermogen, kritisch denken, creativiteit, sociale vaardigheden, culturele sensitiviteit en digitale geletterdheid. Dat klinkt misschien bekend en dat is het ook. Die zogenaamde 21st Century Skills zijn op zich niet nieuw, vallen in hele lange traditie en zijn natuurlijk altijd al onderdeel geweest van het onderwijs. Gedurende de afgelopen eeuw is er ook flink op los geëxperimenteerd, met name in de jaren ’70 stond het bol van nieuwe scholen en vormen van onderwijs. Denkers als John Dewey, Lev Vigotsky, Seymour Papert hebben al hier ook al heel veel wijze woorden aan gewijd. Een begrip als Deeper Learning vind ik in dit geval bruikbaarder. Het is dus zo dat een deel van deze vaardigheden uit het onderwijs verdwenen zijn en dat heeft meer te maken met de toenemende afrekencultuur in het onderwijs, zoals we dat in Het Alternatief beschreven hebben. Achteruit kijken is in dit proces even belangrijk als vooruit kijken.

Wat wel nieuw is, is de steeds grotere rol van (informatie) technologie en bijbehorende digitale vaardigheden. Die moeten wat mij betreft inderdaad een veel grotere rol in het curriculum krijgen. De zogenaamde digital native bestaat niet en thuis zullen kinderen het ook vaak niet leren. Ouders zijn helaas zelf vaak ook digitaal ongeletterd. Ten slotte is het ook zaak te benadrukken dat kennis ineens niet meer nodig is. Vakinhoud blijft een integraal onderdeel van welk onderwijs dan ook. Omdat je dingen kunt Googlen betekent het niet dat je geen kennis nodig hebt om überhaupt te kunnen Googlen. Aan de andere kant is alleen maar stampwerk en veel kennisdichtheid in vaksilo’s ook geen goed onderwijs. Kennis en vaardigheden zijn allebei nodig. Maar ook voor taal en rekenen geldt, hoe meer dat in andere vakken integraal wordt gebruikt hoe beter. Transfer is sowieso een kernonderdeel van goed onderwijs.

Bron: Learning with E’s – Steve Wheeler

Basis nieuw curriculum

Dat er iets moet gebeuren is zeker waar. Maar we moeten waken dat de balans te sterk door slaat naar het kwalificerende domein van het onderwijs. Ook dit rapport bekijkt het onderwijs met een economische blik, de nadruk ligt met name op employability. Met zorgen om vaardigheden voor de werkvloer en werkgelegenheid is niets mis, en dat moet ook gezien de uitdagingen, maar er bestaat wel het gevaar dat de balans weer doorslaat naar puur dat aspect. Maatschappelijke problemen worden benoemd en ook dat vakoverstijgend denken daarin cruciaal is. Maar deze socialisatie lijkt op tweede plan en over persoonsvorming als doel an sich wordt weinig gezegd. Uit het rapport:

“Ten eerste de (denk)vaardigheden die nodig zijn om succesvol deel te kunnen nemen aan de huidige (kennis)samenleving, zoals ict-geletterdheid, probleemoplossend vermogen, kritisch denken, creativiteit. Ten tweede sociale competenties zoals samenwerking, communicatie, sociale vaardigheden en culturele sensitiviteit. Ten derde metacognitie, de kennis van het eigen cognitief functioneren en de vaardigheid om het eigen leren ook te kunnen sturen.”

Hier ligt duidelijk de nadruk op domeinen van kwalificatie en socialisatie. Leren ten dienste van de maatschappij en niet om die wereld vanuit je eigen ik te begrijpen en vorm te geven. De laatste jaren is er steeds breder, ook internationaal, geconstateerd dat juist het domein van de persoonsvorming in het geding is gekomen door een veel te grote nadruk op bijvoorbeeld onderzoeken als PISA. Juist ook door aandacht besteden aan de rol het individu op zichzelf maakt vooruitgang in de andere twee domeinen mogelijk. Daartegenover staat dat een te beperkt uitgangspunt in het DNA van het curriculum terecht komt waarbij het vanaf het begin al de verkeerde kant op gaat.

 

UniC bovenbouw curriculum Maatschappijvakken

UniC bovenbouw curriculum Maatschappijvakken

Curriculumvernieuwing

De Onderwijsraad gebruikt het model van verschillende niveaus van curriculumontwikkeling:

  • Het formele curriculum: het wettelijk vastgelegde curriculum, zoals kerndoelen, eindtermen en kwalificatiedossiers.
  • Het uitgewerkte curriculum: het curriculum zoals het vertaald wordt in de praktijk. Dit kan zijn in leermethoden, toetsen of andere leerinstrumenten.
  • Het uitgevoerde curriculum: het curriculum zoals het uitgevoerd wordt door de docent in de klas.
  • Het gepercipieerde curriculum: het curriculum zoals dat waargenomen wordt door de leraar.
  • Het gerealiseerde curriculum: het curriculum zoals dat uit resultaten van bijvoorbeeld toetsen blijkt.

Curriculumvernieuwing moet met name plaats vinden op schoolniveau. Daar gebeurt het uiteindelijk. Waarbij de overheid de contouren vaststelt en scholen de vrijheid geeft om verschillende onderwijsvisies te implementeren. Dit is van oudsher sterk punt in het Nederlandse  onderwijssysteem. Daar borduurt de Onderwijsraad op voort. Die ruimte moet blijven, maar de centrale regie die er al is moet beter gecoördineerd worden.

Vanuit mijn werk op UniC kan ik zeggen dat het Nederlandse curriculum als geheel inderdaad erg rommelig is. Vernieuwingen worden per vak ingezet en elk vak kiest ervoor om bepaalde vaardigheden in zijn eigen woorden weer te geven. Zo is er natuurlijk heel veel overlap tussen geschiedenis, aardrijkskunde, economie en maatschappijwetenschappen, maar daar is in de teksten niets van terug te vinden. Op UniC geven we deze vakken ook in de bovenbouw vakoverstijgend in challenges waarin we behalve de Deeper Learning Skills, ook vakinhoud en kennis aan elkaar koppelen. Dat doen we altijd vanuit de schoolvisie: eigenheid, verbondenheid en autonomie. Bij ons ligt de nadruk meer op persoonsvorming.

Er kan dus heel veel binnen het huidige systeem, maar dat is meer ondanks de landelijke curricula. Bepaalde vaardigheden worden in syllabi van de Tweede Fase steeds net weer anders beschreven. Daar mag inderdaad meer samenhang in komen in nauwe samenwerking met het veld.  Vakken worden onafhankelijk van elkaar ontwikkeld door een te kleine groep mensen en het is terecht dat de Onderwijsraad adviseert om dit te stroomlijnen.

Inhoudelijk gezien ben ik redelijk tevreden met het geschiedenis curriculum, ik zou voor meer wereldgeschiedenis kiezen in plaats van de nauwe nadruk op Westerse en Nederlandse geschiedenis. Maar niets staat mij als docent en ons als docententeam in de weg om die vakinhoud in te passen. Evenals digitale geletterdheid en andere vaardigheden. Zoals gezegd is het gebrek aan meta-vaardigheden in het curriculum wel een handicap die ik ook in de praktijk tegenkom. Wat dat betreft is het een goed voorstel van de Onderwijsraad om overeenkomende vaardigheden tussen vakken meer synchroon te maken en een meta-curriculum te ontwikkelen om scholen de aanzet te geven om hun eigen curriculum te vernieuwen. Dat meta-curriculum zou ik wel een optioneel maken en voorlopig, eventueel, alleen opnemen in het schoolexamen. Centraal examineren past niet bij de vaardigheden en de specifieke invulling kan alleen op scholen gebeuren. Docentteams zullen daar zelf invulling aan moeten geven. Dat kan tradtioneel zijn, of progressief. Je kunt daar leerlingen en ouders bij betrekken, of niet. Dat is namelijk al het begin van pedagogisch/didactische keuzes die op schoolniveau liggen.

Inhoudelijk blijft de Onderwijsraad wel in gebreke. Van een rapport als deze had ik meer cutting edge voorbeelden verwacht. Niet dat de voorbeelden niet goed zijn, integendeel, op het Montaigne wordt op een vergelijkbare manier gewerkt als op UniC. Maar het zou goed zijn geweest om hier meer specifieke voorbeelden te benoemen om belanghebbenden en het algemene publiek een beeld te geven van de mogelijkheden. Het projectmatig onderwijs, waar wij ook mee werken, is lang niet het enige model waarmee je je curriculum kan vernieuwen.

Er zijn een aantal grote ontwikkelingen die het didactisch/pedagogisch van docententeams al enorm vergroten. De Maker Movement en een Maker Space geeft de leerlingen een speeltuin, een vrijplaats om ontdekkend te leren en digitale vaardigheden op te doen. Blended Learning in een 1 op 1 device omgeving maakt het mogelijk om je eigen Personal Learning Environment te ontwikkelen, waarbij techische tools als een digitale vaardigheid als cureren wordt aangeleerd. Wat ook weer een diepgaande reflectie op het leerproces stimuleert. Via Game Based Learning kun je natuurkunde (portal) of geschiedenis (civilization) simuleren om bijvoorbeeld hypotheses te testen. Massive Open Online Courses (MOOCs) geven je de mogelijkheid om een enorme hoeveelheid vakken en onderwerpen op universitair niveau je school binnen te halen. Al deze ontwikkelingen maken het alleen maar makkelijker om digital literacy te implementeren en een flexibeler curriculum mogelijk te maken.

Organisatie

Dat de docent centraal staat en dat scholen het samen moeten doen is de afgelopen jaren wel vaker voorbij gekomen. Cruciaal is hoe dit wordt ingevuld. Daar is de Raad helaas niet specifiek genoeg over. Obstakels worden wel benoemd, maar te oppervlakkig en er missen cruciale elementen. Een nieuw college is ook geen goed idee in de brij van raden en colleges die we al hebben. Ten slotte moeten we niet uitgaan van schotten tussen ontwikkelen van curricula, leren van docenten en het onderzoek/borgen van resultaten. Dat vergt een integraal proces van ontwikkelgemeenschappen van scholen en docenten.

De rol van examens wordt compleet buiten beschouwing gelaten. Dat is vreemd, het is juist de koppeling van het Centraal Schriftelijk Examen (CE) en het Schoolexamen (SE) dat een een enorme sturende werking heeft in het curriculum op schoolniveau. De inspectie stuurt zwaar op deze punten en via rankings in de pers wordt die tendens alleen maar versterkt. Angst en de bijbehorende afrekencultuur zijn van grote invloed en leidt tot Teaching to the Test. Zo bleek ook uit de alarmbel die Levende Talen (de beroepsgroep!) liet horen via hun onderzoek naar dit probleem. Waarom wel acountability als probleem benoemen in algemene zin, maar niet expliciet CE-SE, lijstjes en het inspectieregime? Daarnaast wordt het gebrek aan tijd benoemd, maar geen concrete oplossing, ook niet in eerdere rapporten. Het is simpel, de onderwijstijd en lestijd moeten verminderd worden. Meer lesgeven leidt sowieso niet perse tot betere resultaten, kwalitatief betere lessen wel. De huidige vermindering van de lestijd met een uur en de vermindering en ontschotting van de onderwijstijd zijn niet meer dan een eerste stap. Dat had de aanbeveling moeten zijn.
 
Curriculumvernieuwing is tot op heden een weinig transparant proces, waarin een klein aantal organisaties, bijvoorbeeld het SLO, en mensen een rol spelen. Samenwerking en het breder betrekken van vakdocenten via vakorganisaties is in deze cruciaal en daar moet veel zwaarder worden ingezet. Het gevaar van topdown organiseren blijft ook hier aanwezig. In de VS is die fout gemaakt bij het ontwerpen en invoeren van de  Common Core Standards, een nationaal curriculum in het federale Amerika. Ook hier zouden docenten op papier een veel grotere rol krijgen. In de praktijk werden docenten nauwelijks gehoord waardoor het curriculum ten eerste ernstig in gebreke is gebleken en ten tweede dat er nu een enorme backlash plaatsvindt tegen die CCS.

Docenten moeten een grote rol krijgen in dit proces en we hebben in de Onderwijscoöperatie al een platform waar vakorganisaties met elkaar overleggen. Dat zou de spil moeten worden van curriculumvernieuwing, en niet weer een nieuw college of raad. Deze nieuwe bevoegdheid zou het aanzien en de positie van de Onderwijscoöperatie aanzienlijk versterken en de verantwoordelijkheid zou ook daadwerkelijk bij de beroepsgroep liggen. Natuurlijk worden in dit proces ook de wetenschap, kunsten, het bedrijfsleven, ouderorganisaties en dergelijke betrokken. Maar laat de coördinatie hiervan bij de Coöperatie liggen. Dat zou in nauwe samenwerking met het College van Examens (CvE), dat ook niet wordt genoemd, moeten gebeuren. Of het CvE kan worden omgevormd tot een College van Examens en Curriculumontwikkeling.

Een derde cruciaal punt zijn de schotten tussen ontwikkelen, leren (nascholing) en borging. Dat moet juist niet gescheiden blijven. Docenten en scholen moeten met elkaar ontwikkelen, alleen op die manier ontwikkelen docenten juist de vaardigheden en een diepe kennis van het curriculum om het aan de leerlingen te kunnen overbrengen. In dat proces hoort ook dat je analyseert hoe het gaat en dat je op die manier constante verbetering toepast. Dat biedt een kwaliteitsborging en lerend vermogen dat alle huidige inspectiekaders ver te boven gaat. Dus niet apart nascholing ontwikkelen, een aparte ontwikkelclub en er weer een onderzoek door universiteiten naar doen dat in bureaula’s verdwijnt. Dat is de taak van zeg een tiental gelijkgestemde scholen (wederom op een schaal van traditioneel tot progressief) die gezamenlijk dit proces ingaan en hierin in alle opzichten leidend in zijn. Deze vormen van organisatie komen bijvoorbeeld uitgebreid aan bod in het werk van Hargreaves en Fullan (Professional Capital en Stratosphere). Ontwikkelen, leren, onderzoeken en delen vormen een geheel.

Kennisgemeenschappen zijn dus een goed idee. Maar ik zou het ontwerp (design) gemeenschappen noemen. Maar ook hier valt of staat het me de invulling. Waar is The Crowd in het rapport? leerKRACHT, Twitter chats, edcamp, etc. ? Waarom worden alleen een tot nu toe achterhaald en mislukt initiatief als Wikiwijs genoemd?

Het ontwikkelen moet echt een open proces zijn, met constante iteraties vanuit het veld. Het zou vergelijkbaar moeten zijn met ontwikkelen van open source software. Waarbij een platform als Github als voorbeeld kan dienen. Niet alleen een periodieke herijking. Nee, het moet een permanente openbare beta zijn. Waarbij de oplevering van een nieuw curriculum steeds als nieuwe mijlpaal dient.  Zie wederom de  analogie met de software wereld. Die mijlpalen zou ik om de drie jaar doen, in plaats van vijf. Van docenten mag worden verwacht dat ze deze ontwikkelingen blijven volgen en bij voorkeur er ook aan bijdragen. Zo kan niemand meer zeggen dat ze verrast worden door de zoveelste vernieuwing. Waarbij het ook zo zal zijn dat die vernieuwing niet heel rigoureus zal zijn, zoals nu soms het geval is. Dezelfde methodiek met bijbehorend platform op nationaal niveau kunnen dan ook door de ontwikkelgemeenschappen op lokaal niveau worden gebruikt, waarbij verschillende forks ontstaan die onder een Creative Commons licentie worden gedeeld. (Wikiwijs zou overigens dat platform kunnen zijn)

Het is van belang dat gekeken wordt hoe deze gemeenschappen gefaciliteerd gaan worden. Ik heb op meerdere plekken al gepleit voor een substantiele innovatiepot voor docenten, scholen en ontwikkelgemeenschappen. Laat dat dus niet meer via allerlei platforms naar dit niveau toevloeien, maar stel de ontwikkelgemeenschappen gelijk in staat om toegang tot fondsen te krijgen. Waarbij ze aan een aantal criteria (ontwikkelen, leren, borgen, delen) moeten voldoen. Zonder dat hiervoor weer een accountability systeem wordt opgetuigd waar alle tijd, geld en energie aan opgaat. Ontwikkelen is risico nemen.

Als laatste wil ik een cruciaal punt benadrukken. Alhoewel de Onderwijsraad  een aantal punten goed benoemd, is precies die netwerksamenleving die gepropageerd wordt, niet terug te vinden in het ontwikkelen van het curriculum. Het lijkt nog steeds top-down met weer een nieuw instituut (nieuw college), ondanks de gebezigde taal. Dat lijkt triviaal, maar het modelling principe is hier ook van cruciaal belang. Practice what you preach. Alleen op die manier komt het ook in het DNA van het nieuwe curriculum. De analyse van het probleem en de oplossingen gaan niet ver genoeg, want het systeem zelf is gedeeltelijk het probleem. Daarbij dringt zich steeds de vraag op. Hoe innovatief zijn de betrokken instanties zelf eigenlijk?

Conclusie

Desaltnietemin ben ik erg blij met dit rapport. De overheid bepaalt in algemene zin het wat en we gaan op scholen aan de slag met het hoe. Het is de aanzet voor een noodakelijk debat en een handreiking van de Raad die we zelf  moeten oppakken en invullen. Ideeën en initiatieven genoeg lijkt me. Het zou fantastisch zijn als we dit gelijk oppakken en dat degenen die dat willen hiermee meteen aan de slag kunnen. Ik wil wel met een aantal gelijkgestemde scholen. In plaats van een nationaal debat en nieuwe instituties moeten we gewoon gaan doen en met zijn allen leren. Laten we het goede voorbeeld geven aan onze leerlingen door te laten zien dat om echt mooie dingen te doen, je risico’s moet nemen. Dit is innovatie, we zullen leren, we zullen falen, maar uiteindelijk zal ons onderwijs er zo veel mooier en beter uitkomen.

 

Fullan, M. (2012). Stratosphere: Integrating Technology, Pedagogy, and Change Knowledge [Paperback] (p. 100). Pearson; 1 edition.

Hargreaves, A., & Fullan, M. (2012). Professional Capital: Transforming Teaching in Every School [Paperback] (p. 240). Teachers College Press; 1 edition.

Onderwijsraad. (2014). Een eigentijds curriculum. Den Haag.


Hier is mijn meest recente presentatie over dit thema. Deze was voor het TERENA Congres 2014 in Dublin

Edit:

Had wat en hoe omgedraaid 🙂 Dank Alderik

Het hoorcollege is dood, lang leve…

By | Uncategorized | 2 Comments

Het hoorcollege is dood, althans volgens een nieuwe meta-studie gepubliceerd in PNAS (persbericht) en waar Science over heeft geblogd. Met name dat laatste artikel is heel veel geretweet en dan weet je dat er wat aan de hand is. Wat dan precies?

De auteurs komen tot de conclusie dat de cijfers van een groep studenten een halve punt omhoog gaan als er activerende didactiek wordt gebruikt in plaats van een een klassiek hoorcollege (een lecture). Ze hebben hiervoor 250 studies bekeken die onderzoek hebben gedaan naar STEM onderwijs op bachelor niveau. Daaruit blijkt dus dat 55 procent meer studenten zakken voor een vak als er alleen een hoorcollege wordt gebruikt.

“If the failure rates of 34 percent for lecturing and 22 percent in classes with some active learning were applied to the 7 million U.S. undergraduates who say they want to pursue STEM majors, some 2.38 million students would fail lecture-style courses vs. 1.54 million with active learning. That’s 840,000 additional students failing under lecturing, a difference of 55 percent compared to the failure rate of active learning.

“That 840,000 students is a large portion of the million additional STEM majors the president’s council called for,”

Dat is nogal wat. Ik heb het originele onderzoek nog niet kunnen lezen, de abstract is hier te vinden. Maar het blijkt nu al een invloedrijke studie te worden en is voer voor mensen die traditioneel onderwijs willen hervormen. Ik zit zelf sterk aan de kant van progressief onderwijs, maar ik maak nog wel degelijk gebruik van verhalen en lezingen in mijn onderwijs.

Vaak wel in de vorm van een onderwijsleergesprek, maar ook dat valt in de categorie activerende didactiek volgens het artikel in Science, terwijl ook deze vorm vaak als traditioneel wordt weggezet en door sommigen ook als een klassiek luister hoorcollege wordt weggezet. Waarom en wanneer ik een didactische vorm gebruik is context-afhankelijk. Er zijn zoveel variabelen om mee rekening te houden. En een goede verhaal is nog steeds een genot om naar te luisteren. Het gaat dan om de kwaliteit van het hoorcollege en niet het hoorcollege an sich. De meeste docenten hebben nooit geleerd om een goed verhaal te vertellen.

Ik wil alleen maar zeggen dat het erg makkelijk is om het hoorcollege dood te verklaren. Het ligt veel complexer dan dat. Ik zal zelf vrolijk doorgaan met Flipping the Classroom, Peer Instruction, Project Based Learning, Game Based Learning en nog veel meer. Maar ik zal zeker ook mooie verhalen blijven vertellen. Zeker omdat mijn leerlingen er om vragen. Het hoorcollege is dood, lange leve…?

Teacher leadership als antwoord

By | Uncategorized | No Comments

Leerlingen zijn niet gemotiveerd is een van de hoofdconclusies van het ondewijsverslag van de Onderwijsinspectie: Motivatie leerlingen kan beter. Iedereen vindt daar wat van. Je wordt op social media en online commentaren gebombardeerd met meningen waaraan dat kan liggen: “onderwijs is niet leuk”, “terug naar orde en discipline”, “meer de buitenwereld betrekken”, en zo gaat het nog een tijdje door totdat het steeds minder beleefd wordt. Onderwijs kenmerkt zich door een enorme felle richtingenstrijd.

In de conclusie herkennen velen zich wel denk ik, over de oplossing gaan we het niet eens worden. En daar ligt eigenlijk de kern van het pleidooi voor teacher leadership. Meer autonomie voor docenten en schoolleiders om onderwijs naar eigen onderwijskundig inzicht vorm te geven. De kern van goed onderwijs is de relatie en interactie tussen leerling en leraar.  De docenten moeten goed zijn. Punt. Of ze nou aan Directe Instructie of Flipping the Classroom doen. Het gaat om een inspirerende sterke persoonlijkheid die in samenspraak met zijn teamgenoten uitdagend, niet perse leuk, onderwijs geeft.

Het Nederlands onderwijs heeft vele top-down hervormingen, initiatieven en rapporten gekend. Dat is door McKinsey goed in kaart gebracht. Kenmerk van dat mooie rijtje is dat docenten niet of nauwelijks te bekennen waren. Over de oorzaken hiervan, neo-liberaal beleid en vrijwillige slavernij, hebben is ook al veel geschreven. Over de oplossingen ook en die ligt toch echt bij docenten en schoolleiders in de school.

Bron: Stichting Leerkracht

Een van de speerpunten van Het Alternatief is Teacher Leadership. In het laatste hoofdstuk doen René Kneyber en ik daar ook aanbevelingen voor. Teacher Leadership lijkt op meerdere vlakken steeds meer door te breken in onderwijsland, met name in de Verenigde Staten. Teacher Leadership is het toekennen van daadwerkelijke bevoegdheid aan docenten, met name echte beslissingsbevoegdheid als onderdeel van professional capital zoals Fullan en Hargreaves dat beschreven hebben. Niet alleen in schoolorganisaties zelf, maar ook op alle vlakken en niveaus in het onderwijs moet dit invulling krijgen. Het erkennen van een andere rol van de docent in het onderwijs is daarbij centraal. In plaats van uitvoerder wordt de docent mede-eigenaar.

Concreet zie je in de VS de volgende rollen van docenten ontstaan. Ten eerste de zogenaamde de docent in Teacher-led schools. Scholen waarbij de docenten via een maatschap of coöperatieve vorm de school daadwerkelijk beheren of voor een groot gedeelte de beslissingsbevoegdheid in handen hebben gekregen. Dat betekent niet gelijk dat je schoolleider hoeft te worden of iets dergelijks. Of dat je überhaupt aan teacher leadership moet doen als docent. Maar bevoegdheid vloeit wel voort uit het team of de schoolgemeenschap. Je zou zelf een manager kunnen aanstellen bijvoorbeeld. Ook hierin zijn vele varianten te bedenken en ja ook anderen in het onderwijsveld spelen natuurlijk een grote rol.

Ten tweede krijgt het begrip teacherpreneur steeds meer ingang. Zoals het Centre for Teaching Quality (CTQ) zegt: Teachers who lead, but don’t leave. Docenten nemen een hybride rol aan. Als docent-ondernemer, docent-beleidsmaker, docent-onderzoeker, docent-schoolleider, docent-innovator, etc.  Zo zouden ook op landelijk niveau docenten veel meer een rol moeten kunnen krijgen in onderwijskundig leiderschap. Karin den Heijer (rekenen) en Arjan van der Meij (Maker Movement) om maar twee bekende voorbeelden te noemen, zijn al teacher leaders van zichzelf. In die rol zouden ze veel meer gefaciliteerd moeten worden. Waarom is het zo moeilijk en zijn we afhankelijk van individuele schoolbesturen dat Arjan niet naar High Tech High kan om inspiratie op te doen bijvoorbeeld? Dat zou enorm veel winst opleveren voor het hele Nederlandse onderwijs.

En ten derde de Teacher Leaders als container begrip, maar ook als leiders in onderwijsbeleid- en discussie.  Er moet een constante feedback-loop ontstaan met de praktijk. Dat reikt tot het internationale vlak.  Wat er op internationale gremia wordt besproken door onderzoekers, ministeries, bedrijfsleven, vakbonden raakt onze leerlingen.  Als onderdeel van een aantal initiatieven , onder andere van Education International, werken we nu aan een internationale versie van Het Alternatief, om mede een Global Teacher Leadership netwerk te starten en vorm te geven. Al deze rollen geven de docent veel meer verantwoordelijkheid, opent  de deuren voor een aantrekkelijk carriereperspectief en zal navenante gevolgen hebben voor het imago en de instroom op de lerarenopleidingen (die zelf  ook veel meer teacher leaders moeten opnemen)

Ook op het congres van de National Board of the Professional Teaching Standards (NBPTS) Teaching and Learning 2014 stond Teacher Leadership centraal.  Ik mocht daar een panel modereren met onder andere Linda Darling Hammond en Susan Hopgood over die internationale rol. Er waren veel ,stampvolle, workshop rondes, van NBPTS en CTQ-docenten, over specifieke invullingen van teacher leadership. Wat daarbij opviel was het professionele zelfbewustzijn en de hoge organisatiegraad. Dat laatste is zeker de verdienste van de NBPTS en CTQ. Maar 40% haalt de eerste poging tot NBPTS accreditatie, een register zoals een register hoort te zijn. Van en door de beroepsgroep.

Dat Teacher Leadership nu ook een doorbraak heeft bereikt bleek ook wel uit de speech van Arne Duncan op het congres getiteld: Teach to Lead: Advancing Teacher Leadership. Daarin erkende Duncan ook de fout om docenten niet daadwerkelijk een rol te geven als teacher leaders in het onderwijs. Alhoewel het ook met de nodige scepsis werd ontvangen werd het toch bestempeld als een landmark speech. Het ministerie is nu daadwerkelijk bezig om dit in beleid om zetten.

waar zijn de leraren

Waar zijn de leraren?

Wat betekent dit voor Nederland? Mijn indruk is dat we nog enorm achterlopen bij de ontwikkelingen in de VS. Dat als we willen dat de lerarenagenda een success gaat worden dat we moeten inhaken op de ontwikkeling van teacher leaders. Er wordt al heel lang gepraat over professionele ruimte, maar naast een vrijblijvende oproep aan de normatieve kant is er operationeel bijna geen invulling aan gegeven. Die bal ligt echt bij de overheid en besturen. Wij koppen hem wel in. Laten we elkaar dan niet de tent uit vechten over onderwijskundige uitgangspunten, maar van elkaar leren en elkaars verschillen respecteren. Dan denk ik dat de toon en de staat van ons onderwijs over een aantal jaren inspiratie zal uitademen.

Bronnen/leesvoer

Teacher Leaders (1)

By | Uncategorized | No Comments

Deze column verscheen eerder in het april nummer van 12-18

Het Alternatief staat niet op zichzelf. Het maakt in Nederland deel uit van een bredere beweging en meer initiatieven die streven naar een alternatieve wijze om ons onderwijs vorm te geven. Bindende elementen zijn een afkeer van de afrekencultuur waarbij de schijn wordt gewekt dat wat gemeten wordt ook de werkelijkheid is, en de doorgeslagen neo-liberale blik op ons onderwijs. Een van de constateringen is dat op veel niveaus docenten niet meepraten over onze core business: onderwijs. Daar ligt tegelijkertijd ook de oplossing: geef docenten meer verantwoordelijkheid, niet alleen binnen de school.

Dat deze worsteling in meerdere landen speelt is voor velen van ons niet nieuw.

Dat de oplossing echter ook gedeeltelijk een internationaal karakter kan hebben is wel verrassend. We leven in een steeds verder globaliserende wereld. Onder die pretext heeft beleid in veel landen in de jaren negentig een steeds neo-liberaler karakter gekregen. Ook onderwijsbeleid zelf heeft een mondiale context gekregen. Zeker op het moment, laten we zeggen sinds 2000, toen internationale benchmarking door onder andere de OECD belangrijker werd. Politici en ambtenaren praten steeds vaker op internationale fora met elkaar. En onder andere Michael Barber voert een actieve lobby aan, voor de Global Education Reform Movement (GERM).

GERM leek lange tijd een paradigma te zijn, maar dat is inmiddels geen zekerheid meer. In het onderwijs is er in ieder geval een alternatief. Een van de oplossingen is dat docenten een meer hybride rol gaan spelen. Dat betekent niet alleen dat er teacher led schools moeten komen, scholen waarbij de verantwoordelijkheid ook formeel bij docententeams ligt, bijvoorbeeld in coöperatieve vorm of  via docentenmaatschappen. Maar dat die hybride rol zich ook uitstrekt tot ministeries, schoolbesturen, raden, lerarenopleidingen, etc. Docenten die zich part-time met beleid, kwaliteitsbewaking, onderzoek, opleiding en professionalisering bezig gaan houden.

Op het congres van de National Board of Professional Teaching Standards (NBPTS), een soort Onderwijscooperatie, mocht ik op uitnodiging van NBPTS een panel mocht leiden met oa Linda Darling Hammond over het belang van internationaal teacher leadership. Dat was een rode draad in het hele congres. In een cruciale toespraak erkende de minister van onderwijs Arne Duncan dat teacher leadership een cruciale rol moest gaan spelen in het Amerikaanse onderwijs. En dat na jaren van radicaal GERM-beleid. Zonder docenten structureel te betrekken mislukt elke onderwijshervorming. Ik was prettig verrast én geïnspireerd hoever de Amerikanen in bijna alle staten hiermee al aan de gang zijn gegaan. Onder andere via de NBPTS, de bonden (AFT, NEA) en het Center for Teaching Quality (CTQ)

Er is ook in Nederland genoeg animo, ambitie en kwaliteit aanwezig bij docenten die willen ontwikkelen naar een andere organisatie. We moeten die rol pakken, in de school, landelijk, maar ook internationaal. Op allerlei manieren wordt bepaald wat er in onze klaslokalen, met onze leerlingen gebeurt.

Dan moeten we er ook voor kiezen om verantwoordelijkheid te nemen, om niet zomaar beleid te ondergaan. Ik kies ervoor om te handelen. Daarom hebben we besloten om een internationale versie van Het Alternatief te gaan schrijven en een netwerk van teacher leaders op te bouwen. We hebben internationaal ook een podium nodig naast de Hargeaves, Fullans en Sahlbergs, die dat zelf ook aanmoedigen, om onze stem te laten horen en om van elkaar te leren.

U hoort nog van ons.