Category Archives: Uncategorized

Welk Alternatief

By | Het Alternatief, Uncategorized | 3 Comments

Karin den Heijer komt met een alternatief voor het alternatief, waarbij ik denk: “welk alternatief”? Het klinkt aardig, maar eigenlijk zegt ze niet meer dan dat we goede vakdocenten moeten hebben. Karin legt terecht een grote nadruk op vakkennis. Zowel Rene als ik zijn ook vakdocenten, ik zou ons zelfs als vakidioten willen bestempelen. Nergens zeggen we dat dit niet belangrijk is. En nergens hebben we het over “’expert-leraren’ met alleen maar “’onderwijspedagogische kennis’” Sterker we pleiten in een van onze eigen stukken in ons boek zelfs voor een eerstegraadsbevoegdheid van docenten. Maar zowel vakinhoud als pedagogisch en didactisch bekwaam zijn een voorwaarde voor een goede docent. Het docent zijn zelf is ook een beroep.

Het verbaast me ook dat Karin kiest voor een enge economische doelstelling voor het onderwijs: “Onderwijs heeft een doel. Onderwijs is een van de belangrijke bronnen van economische groei en welvaart.” Dat is precies die nauwe utilitaire blik die ons de neo-liberale onderwijspolitiek heeft gebracht en waar BON zich tegen verzet. Met een kwalificerende functie van het onderwijs ben ik het natuurlijk mee eens, maar onderwijs heeft een veel bredere doelstelling. Gert Biesta pleit in het Alternatief voor het in balans brengen van de drie doelstellingen: kwalificatie, socialisatie en identificatie. Met name bij de laatste twee komen pedagogische vaardigheden van de docent kijken. Goed onderwijs vraagt ook om een visie in balans want het eindstation van de economisering is teaching to the test. Het interessante aan ons tijdperk is dat er nu ook een economische noodzaak om de structuur van ons onderwijs aan te passen. Naast kennis van wiskunde moeten we veel breder kijken naar bepaalde vaardigheden. Ook gericht op flexibiliteit en leren zelf. Het WRR-rapport “Naar een lerende economie” wijst ons er terecht op dat het onderwijs niet opgewassen is tegen de perfect storm van technologische en geopolitieke veranderingen die ons te wachten staat. Average is over.

Daarnaast schijnen docenten na implementatie van Het Alternatief ook niet opgewassen te zijn tegen onderwijsmythes en dergelijke. Als je ons een beetje volgt op Twitter dan weet je dat we kwakzalverij te vuur en te zwaard bestrijden. Ook dat hoort bij goed docentschap. We hebben dan ook niet voor niets Jaap Walhout en Paul Kirschner gevraagd om een artikel te schrijven. En ik denk dat iedereen blij wordt van de auteur die in de nieuwe internationale versie over deze materie de pen ter hand neemt. Waar we wel voor moeten waken is evidence based onderwijs. Dat bestaat namelijk niet, evidence informed, waarbij theorie en vaak ongrijpbare praktijkkennis hand in hand gaan is de juiste benadering.

Waar Karin kennelijk moeite mee heeft is zelfbestuur van docenten. Ze wil liever aan de willekeur van bestuurders, ambtenaren en god forbid andere externen overgeleverd blijven, ook die ijzersterke vakdocenten. Daar komt Karin niet met een goed alternatief voor. Alles blijft dus bij het oude. De enige verandering is dat docenten direct in overheidsdienst komen. Dat kan, maar ik denk net als René dat dit een stap terug is. De willekeur en inflexibiteit van het ministerie verruilen ten opzichte van de willekeur van bestuurders, hoe goed die op een bepaald moment ook zijn.

Karin haalt Finland aan als voorbeeld dat docenten in overheidsdienst zijn. Terwijl daar een vergelijkbare situatie is als bij ons. Alleen ligt de nadruk daar op gemeentelijk niveau. De gemeente fungeert voor een groot gedeelte als de besturen bij ons. Niet de centrale overheid. Financiën en bijvoorbeeld arbeidsvoorwaarden worden op heel verschillende manieren via gemeentelijke onderwijscommissies, schooldirecties en dergelijke bepaald. Daarbij krijgen de scholen ook een grote mate van autonomie. Dat dit werkt ligt juist aan het feit  dat er een grote mate van collectieve autonomie en gedistribueerd leiderschap is binnen de scholen. Precies waarvoor we pleiten, de kern van Het Alternatief. Dat België daar niet aan doet neem ik ter kennisgeving aan, daar hebben we het verder ook niet over gehad. Maar ik ben wel blij om te horen dat daar de arbeidsvoorwaarden zijn zoals ze horen te zijn. Daar kunnen we in Nederland een voorbeeld aan nemen.

Zelfbestuur en teacher leadership is niet zomaar een curiosum van elf scholen in de Verenigde Staten en gaat veel verder dan dat en er zijn veel meer scholen die dit toepassen. Ik heb in Washington Het Alternatief niet hoeven verdedigen, Teaching and Learning ademde Het Alternatief. Ik modereerde een panel waarin experts als Linda Darling-Hammond, Dennis van Roekel en Susan Hopgood juist een vurig pleidooi voor hielden voor leiderschap van docenten, binnen scholen, landelijk en internationaal. Zowel de National Board for Professional Teaching Standards (NBPTS) als de Center for Teaching Quality (CTQ), de grote vakbonden kwamen met veel voorbeelden hoe hier in een groot aantal staten werk van werd gemaakt. De praktijkworkshops van docenten die teacher led schools hadden opgezet zaten bomvol, standing rooms zoals de Amerikanen zeggen. In een cruciale keynote speech gaf de minister van onderwijs Arne Duncan zelfs toe dat het ontbreken van docenten op elk vlak heeft geleid tot slechte onderwijspolitiek en bepleitte teacher leadership op elk niveau.

In Professional Capital hebben Hargreaves en Fullan het over decisional capital, de mate waarin docenten ook beslissingsbevoegd zijn. Die beslissingsbevoegdheid is een cruciaal onderdeel van professionele leergemeenschappen en professioneel kapitaal. Zonder die bevoegdheid ben je overgeleverd aan de willekeur van de organisatie en het systeem. Ook al neemt die op dat moment de juiste beslissingen, helaas is het zo dat die grilligheid ook bij goed bestuurde organisaties bij bestuurswisselingen de kop kan opsteken.

Gedistribueerd leiderschap betekent geen Poolse Landdag. Beslissingsbevoegdheden kun je ook tijdelijk delegeren, sterker die moet je ook delegeren om een werkbare situatie te creëren. Maar die bevoegdheid vloeit dan wel voort uit docenten en ouders. Alleen zo voorkom je dat je aan willekeur wordt overgeleverd en dat docenten daadwerkelijk verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het beste onderwijs voor elk kind.

Deze propositie staat ook ten grondslag aan de waarden van de NBPTS. NBPTS en CTQ docenten nemen een professionele houding aan die ik in Nederland niet vaak tegenkom. Ook zij zien vakkennis als belangrijk, maar niet meer dan de andere vijf pijlers:

Proposition 1: Teachers are committed to students and  their learning.

Proposition 2: Teachers know the subjects they teach and how to teach those subjects to students.

Proposition 3: Teachers are responsible for managing and monitoring student learning.

Proposition 4: Teachers think systematically about their practice and learn from experience.

Proposition 5: Teachers are members of learning communities.

Wat nu steeds meer begint door te dringen in de Verenigde Staten en ook daarbuiten is dat een vorm van teacher leadership nodig is om dit te bereiken. Niet alleen om goed onderwijs te bewerkstelligen, maar ook om docenten te behouden voor het onderwijs. Het is natuurlijk te gek voor woorden dat zoveel jonge docenten het onderwijs willen verlaten. Dat gaat veel verder dan alleen maar een goede opleiding en betere begeleiding. Dat heeft ook te maken met carrièreperspectieven en werkdruk. Precies dat wat gedistribueerd leiderschap op alle (school, bestuur, landelijk, internationaal) niveaus gedeeltelijk kan oplossen.

Karin’s pleidooi is wat mij betreft een voortzetting van de status quo, of zelfs een stap terug en geen alternatief. Er zijn inderdaad hele sterke vakdocenten nodig. Ik denk dat weinig mensen dat betwisten. Maar het is tijd onze horizon te verbreden en niet om alleen maar oplossingen te zoeken in het oude. Dat heeft zijn langste tijd gehad en dat heeft niet gewerkt. Het is tijd dat er daadwerkelijk een alternatief komt.

Ambitie

By | Uncategorized | No Comments

Ambitie

Is onze ambitie om in de top-5 van een of ander lijstje te komen, of zijn we ambitieuzer? Onze ambitie moet zijn: onderwijs dat recht doet aan ieder kind. Dus niet alleen maar passend onderwijs voor de achterblijvers, of excellent onderwijs voor de bollenbozen. Ieder kind verdient het beste onderwijs. Dat uitgangspunt voldoet ook het beste om “goed” onderwijs te definiëren in de verschillende domeinen: kwalificatie, socialisatie en subjectificatie. (Biesta) Met name dat laatste is in ons onderwijs enorm in het gedrang gekomen. Als we dit als uitgangspunt nemen kunnen we pas echt een goed antwoord geven op de uitdagingen die het WRR rapport “Naar en lerende economie” ons stelt.

Uitdagingen

Er staan enorme maatschappelijke en economische veranderingen op til. Die worden veroorzaakt door ongekende technologische en geopolitieke verschuivingen. De laatste jaren verschijnen er steeds meer  (al dan niet) alarmerende boeken en rapporten over toenemende automatisering in velden waar we ons het een aantal jaren geleden niet eens konden voorstellen. Zelfrijdende auto’s, 3D-geprinte huizen, robots die de zorg overnemen. Een schrikbeeld wordt geschetst in het veelzeggende “Average is over” De middenklasse verdwijnt, er ontstaat een enorme onderklasse en een kleine globale elite (ca 10%) plukt de vruchten van de “vooruitgang”. Dat is niet de samenleving die we willen en daar speelt onderwijs een sleutelrol in.

Dat vereist een veel meer creativiteit en zelfsturing van mensen. Dat is te leren, maar dan moet het systeem diezelfde eigenschappen bezitten.

Helaas is de internationale trend in onderwijsbeleid er een van steeds meer controle en sturing door steeds meer data en output te eisen om maar te meten of het beleid effectief is (Global Education Reform Movement GERM). Paradoxaal genoeg versterkt door de internationale rankings (PISA, TIMMS). In de VS wordt daar een hevige strijd over uitgevochten, waarbij het tij zich steeds meer keert tegen het standardized testing beleid. De hevige discussie over een nationaal curriculum (Common Core) is daar ook een voorbeeld van. Meestal zijn de VS een voorloper in onderwijskundige trends

Het bewustzijn in Nederland over al deze zaken is ook aanwezig. Maar de politieke realiteit is op dit moment wel de zwakke reactie van het kabinet op het WRR rapport. Kennelijk mist de politieke urgentie het beleid daadwerkelijk fundamenteel te hervormen. Daar ligt wat mij betreft een grote uitdaging.

Sterke en zwakke punten Nederland

Het sterke punt van het Nederlandse onderwijs is dat er van oudsher een sterke mate van decentralisatie is in het systeem, onder andere ingegeven door de verzuiling. En in scholen zelf, docenten beschikken een grote mate van autonomie. Dat is gelijk de zwakte. Samenwerken zit ook niet in het systeem bij scholen en docenten. Fullan en Hargreaves hebben inmiddels overtuigend aangetoond dat juist samenwerking, door scholen en door docenten, de sleutel is tot beter onderwijs.

Daar is helaas geen tijd en ruimte voor. Schoolleiders zijn teveel tijd kwijt met administreren. Docenten moeten teveel lesgeven. Zelfs met creatieve oplossingen zoals we die op UniC bedenken (week ontwikkeltijd door docententeams in toetsweek vrij te roosteren) is er bij lange na niet voldoende tijd om een curriculum te maken dat voldoet aan de door de WRR geschetste uitdagingen. Daarnaast zijn scholen elkaars concurrenten door de financieringssystematiek.

Docenten zijn te veel gemarginaliseerd en uitvoerders van het systeem geworden. Onder andere de nadruk op CITO scores, doorstroomregelingen, koppeling van het schoolexamen en eindexamen zorgen ervoor dat veel scholen angstig naar de resultaten kijken en beslissingen nemen die niet goed zijn voor het kind (selectie, uitstroom, doubleren) Koppel dat aan een veel te hoge werkdruk en het kwalitatieve en kwantitatieve lerarentekort is makkelijk te verklaren.

De raden (PO,VO,MBO,HBO) worden door de politiek als aanspreekpunt gezien en zeggen de sector te vertegenwoordigen. Niets is minder waar. Als puntje bij paaltje komt kiezen ze keer op keer voor bestuurlijke belangen en niet voor de sector als geheel. De implementatie van beleid via de raden brengt de surrealistische papieren werkelijkheid met zich mee dat politiek en bestuur zichzelf op de borst kloppen dat het beleid werkt, terwijl de kinderen en docenten in de klas hier weinig van terug zien. (Passend Onderwijs) Ook de raden moeten of worden afgeschaft of worden hervormd zodat alle stakeholders mee kunnen praten en beslissen over de implementatie van onderwijsbeleid.

Misschien de meest cruciale factor is dat de beroepsgroep zelf het heft in handen neemt over het reilen en zeilen met alles wat met de beroepsgroep te maken heeft. We zijn een zwakke beroepsgroep. Er is een goede kandidaat om dat verder vorm te geven: de Onderwijscooperatie. Maar dan zullen de deelnemende partijen (vakbonden, BON) wel over hun eigen schaduw heen moeten stappen zodat het kan worden omgevormd tot een onafhankelijke, democratisch bestuurde organisatie. Inschrijven in het lerarenregister moet ook gelijk inspraak en invloed op dat register en de Onderwijscooperatie betekenen. Deze zou als gelijkwaardige partner mede beleid kunnen bepalen met de raden.

Betere aankomende docenten krijg je niet alleen door alleen hogere eisen te stellen, maar juist ook door de zwakte van het hele systeem aan te pakken. Dan komt de instroom vanzelf op gang en gedeelde autonomie is een kracht in ons systeem die wacht om aangewakkerd te worden. Dat neemt niet weg dat de huidige lerarenopleidingen zwak zijn. De meeste innovatie vindt plaats in het veld zelf en veel lerarenopleiders hebben zelf al heel lang niet meer lesgegeven. De overheid ook debet aan de zwakte door de rigide eisen die de laatste jaren worden gesteld.

Wat dan wel?

Het kabinet ziet graag dat we in “de Top 5” komen. Een Top 5 uitgangspunt definiëren draagt een enorm gevaar met zich mee. Dat wordt een doelstelling an sich en we hebben gezien waartoe dat leidt. Dat laat ik liever los. Laten we uitgaan van de inherente kracht van onze visie.

Er zijn ongekende kansen om het onderwijs anders in te richten. De abundance of technology maken een flexibel en uitdagend curriculum mogelijk,. Enkele trends waarvan we veel meer gebruik moeten maken: Web 2.0 applicaties, Learning Analytics, de Maker Movement, 3D-printing, MOOCs. Gekoppeld aan didactische en pedagogische veranderingen als: Flipping the Classroom, project based learning, blended learning, fablabs, connected learning, design thinking, etc.

Genoeg om creatieve oplossingen te bedenken waarbij de juiste balans tussen vrijheid, structuur en uitdaging door docententeams kan worden ingevuld. Met als uitgangspunt dat het een permanente bèta is. Juist in de ontwikkeling ontstaat de kwaliteit.

Daarnaast is er ook een wezenlijk handelingsperspectief om het anders te organiseren. Er zijn veel bottom-up initiatieven met andere organisatievormen als coöperaties en zelfsturende organisaties (oa buurtzorg Finext, Nedap, Semco, Valve, schoolcooperaties in de VS) en Peer Review achtige structuren als Leerkracht en scholingsorganisaties als The Crowd die laten zien dat we wel degelijk anders kunnen. We moeten het ook willen.

Waarbij uiteindelijk docententeams en schoolleiding en scholen gezamenlijk waarborgen dat alles van een hoog, uitdagend niveau is. In zo’n creatieve, vrije, uitdagende omgeving is het ook niet moeilijk om de beste mensen te werven voor het onderwijs. Dat is een ecosysteem waarbij het systeem, initiatieven en het individu versterkt. 

Stoppen:

Dat vraagt ook moed van de politiek, raden en vakbonden om bepaalde regels en wetgeving te schrappen.

  • Vroege selectie: We selecteren in Nederland veel te vroeg, waarbij het CITO als een officieus primair examen geldt. Met name leerlingen uit zwakkere milieu’s zijn hier de dupe van. Dat pleit ook voor een veel nauwere samenwerking tussen PO en VO. Ook daar zit regelgevingen financiering enorm in de weg.
  • Onderwijstijd: Ontwerpen vereist veel samenwerking en ontwikkeltijd. De onderwijstijd is ontschot, maar nog steeds enorm hoog vergeleken met andere landen.  Als we spreken van maatwerk dan hebben sommige leerlingen 500 uur nodig en kinderen met een taalachterstand misschien 1200. Daar komt bij dat onderwijstijd nog erg conservatief wordt geïnterpreteerd door de onderwijsinspectie. Online Learning, andere vormen van begeleiding worden van tafel geschoven. Ook hier biedt nieuwe wetgeving mogelijkheden, maar ook de inspectie moet op nascholing.
  • Lestijd: Gekoppeld hieraan geven docenten ongehoord veel les (ca 750 uur). Zoals gezegd er moet veel meer tijd komen voor samenwerking, intervisie en ontwikkeling. Alleen dan is maatwerk mogelijk. De lestijd moet omlaag en de onderwijstijd flexibel met een lagere ondergrens.
  • Flexibele examinering/certificaten: Laat leerlingen vakken volgen op het niveau waar ze goed in zijn. Een briljante bèta hoeft niet ook op VWO een moderne vreemde taal te volgen. Vervolgopleidingen moeten in dit proces ook worden meegenomen.   
  • Huidige examenprogramma: minder examenvakken, het programma is nu veel te vol om te kunnen verdiepen. En loskoppelen van het Schoolexamen en Centraal Examen is essentieel. Dat zijn compleet verschillende vormen van assessment en toch moeten ze qua cijfer bij elkaar in de buurt blijven (0,5) Dat geeft scholen ook veel meer vrijheid om meer creativiteit en diepgang in het programma te kunnen brengen. Scholen zouden dan gezamenlijk ook erkende certificaten kunnen uitbrengen van “vakken” die nu niet worden geëxamineerd.
  • Financiering: Natuurlijk moet er verantwoording voor belastinggeld worden afgelegd, maar is nu wel heel erg gekoppeld aan alleen maar dingen die te meten zijn. Ook de lumpsumfinanciering moet kritisch worden bekeken. Meer inspraak van verschillende stakeholders moet veel meer worden gewaarborgd en ingebouwd.
  • huidige inspectievorm: Die heeft zijn langste tijd gehad. Dat moet veel meer horizontaal georganiseerd worden via professionele leer- en ontwikkelgemeenschappen van scholen. En ook de inspectie zelf moet kritisch naar zijn eigen vermogen en expertise kijken of ze dat proces aankunnen.
  • kennisbasis lerarenopleidingen: Met kennis is niets mis, maar dit zijn de verkeerde eisen, is een stap terug en stokt innovatie. Tegelijkertijd meer slagkracht vragen en dan dit van lerarenopleidingen vragen is een typisch staaltje schizofrene politiek.
  • Hervorming sectorraden en Onderwijscooperatie Leg meer verantwoordelijkheid bij de beroepsgroep van docenten en schoolleiders en minder bij de besturen.

Versterken:

Ook moeten nieuwe en bestaande initiatieven veel meer versterkt worden. Ik noem er een paar. Maar dit lijstje is bij lange na niet uitputtend natuurlijk.

  • Stimuleer meer zelfsturing en coöperatieve vormen in het onderwijs. Daar wordt al voorzichtig mee geëxperimenteerd (ROCA12) en met name in de VS hebben ze daar al veel meer ervaring mee.
  • Steun bottom-up initiatieven als Leerkracht, The Crowd en edcamp. Niet alleen maar de geijkte top-down bestuurlijke varianten hiervan als School aan Zet. Sterker ik ben ervan overtuigd dat hierop de nadruk moet komen te liggen.
  • Bestaande vernieuwingsinitiatieven de ruimte geven (Pleion scholen, Hyperion, Hugo de Groot, Agora) Dit zijn moedige initiatieven die het Nederlands onderwijs handelingsperspectief bieden. Hier moet een (geborgd) hek omheen.
  • De inspectie is al voorzichtig begonnen met experimenteren met andere inspectiekaders. Dat moet veel breder worden ingezet. Er moet meer experimenteerruimte komen voor alternatieve kwaliteitsborging in samenwerking met de inspectie. Dan zou je kunnen denken aan LeerKRACHT-achtige audits. Het Nederlands onderwijs wordt zo een lerend systeem.

Starten:

  • Er moeten nieuwe lerarenopleidingen zoals de Nederlandse School komen. Bouw vuurtorens buiten het systeem.
  • Examinering moet naar certificering. Kinderen moeten op verschillende niveau’s en tijd examens kunnen doen. En scholen moeten ook gezamenlijk erkende certificaten kunnen aanbieden
  • Docenten moeten veel directere toegang tot faciliteiten krijgen. Dus wederom: niet via de sectorraden en hun initiatieven zoals de Staatsecretaris voorstelt in zijn excellentiebrief. Denk aan de innovatiepot die in Ontario in samenwerking met vakbonden tot stand is gekomen.
  • Zorg ervoor dat op scholen een onderwijscommissie komt (van docenten en ouders) die medebeslissingsrecht krijgt over op zijn minst onderwijskundige zaken. Dit gaat veel verder dan bestaande medezeggenschapsraden.
  • Laat docenten op alle niveaus structureel meedenken/beslissen (OCW, raden, etc.). Dus als deeltijders en dat overal als verplicht percentage opnemen. Het is tijd voor teacher leaders.

Natuurlijk is dit niet een complete lijst en met name gericht op het Voortgezet Onderwijs. Maar het gaat wel veel verder dan wat er nu is voorgesteld. En dat is ook nodig. Aan papieren tijgers en werkelijkheden hebben we in het onderwijs helaas geen gebrek. Aan een holistische benadering en goede implementatie des temeer. Het recente voorstel van Staatssecretaris Dekker is een stapje in de goede richting qua denkwijze. Maar laten we er nu eindelijk voor kiezen om echt goed onderwijs voor ieder kind mogelijk te maken. Dames en heren politici, de bal ligt nu bij u.

Duurzame innovatie: laat docenten het zelf doen

By | Uncategorized | 2 Comments

Een maandagavond tot twaalf uur ’s nachts op een school doorbrengen, voor je lol. Dat deed ik laatst op De Populier. Ik was uitgenodigd door mijn vriend Arjan van der Meij, natuurkunde-docent, om een avondje te komen #plakkenenknippen (ja dat is de juiste volgorde). Arjan en zijn science vrienden hebben een Fab-lab op school. Een goed geoutilleerd lab waar je dingen kunt maken: onder andere een 3D-printer en een laser-cutter.  Er waren (oud) collega’s en (oud) leerlingen, vrijwillig, om dingen uit te vinden, te proberen, te leren en om lol te maken. Het lab wordt door de science sectie goed gebruikt in de lessen. Maar het gaat verder. Per-Ivar Kloen heeft de Fab Klas project opgestart waar leerlingen op vrijdagmiddag hun projecten kunnen ontwerpen en uitwerken. Een van de resultaten van die avond was een 3D-scan van mezelf, en ik was zo blij als een kind.

Op de open avond op mijn school UniC lopen een aantal leerlingen en docenten rond, verkleed als monnik, tovenaar of elf. Het zijn de fantasten, een grote groep die zich bezig houdt met Live Action Roleplay. De groep is opgericht door mijn collega Nils Visser.  Bij de “coming-out” vorig jaar kwamen alle leden (ca 70) verkleed op school en er viel geen onvertogen woord. Nils wil graag via de Fantasten leerdoelen vakoverstijgend verwerken in Roleplay activiteiten. Op deze manier kunnen kunst, geschiedenis, de talen, maar ook wiskunde worden verwerkt. Eigenlijk elk vak wel. Ook bij de Fantasten komen leerlingen vrijwillig en voor de lol buiten schooltijd naar school om te leren.

De plannen van Arjan en Nils sluiten aan bij twee grote trends: de maker movement en Game Based Learning (GBL).  De Maker Movement is een steeds invloedrijkere beweging die ervan uit gaat dat mensen zelf in staat zijn en het leuk vinden om eigen dingen te ontwerpen en te maken. Door steeds goedkopere digitale tools en bijvoorbeeld de 3D-printer komt de toekomst van de consument als producent steeds dichterbij. Dit heeft verregaande gevolgen voor het onderwijs: leerlingen kunnen nu steeds makkelijker ontwerpen en prototypen. Zo komt daadwerkelijke authenticiteit steeds dichterbij. GBL gaat ervan uit dat game-technieken ook een meer authentieke en interactieve leerervaring creëert. Dat kan via commerciële video- en bordspellen, speciale educatieve games (serious games), gamification: game technieken in de les en in het curriculum, via rollenspellen, maar ook door zelf spellen te ontwerpen. Door te spelen leer je.  Beide ontwikkelingen sluiten aan bij een bredere trend en zoektocht naar meer authentiek onderwijs waarbij leerlingen meer doen door te leren en dat ook aansluit bij de interesses van leerlingen (en volwassenen)

Praktijk, theorie en gelijk doen komen bij deze docenten samen. Beter dan welk techniek-pact of excellentie-traject zijn Arjan en Nils in staat om innovatief onderwijs en die doelstellingen te verwezenlijken. Arjan en zijn collega’s zijn hiermee zelf aan de slag gegaan. Ze hebben zelf fondsen gezocht en ruimte voor zichzelf gecreëerd om hiermee aan de slag te gaan. Maar ook hier wringt het dat er gewoon te weinig tijd en geld is. Dat geven ze zelf ook aan.  Zowel de Fantasten als Fabklas zijn onderdeel van onderwijspioniers, een heel goed project, maar nog steeds te weinig. Waarom eigenlijk? Waarom hebben deze top-docenten geen 20% time, a la Google, om dit soort projecten te ontwikkelen? Waarom is er geen grote innovatiepot die direct aanspreekbaar is voor docenten? Met als voorwaarde dat het breed gedeeld wordt zodat ze anderen inspireren. Waarom is er niet meer tijd voor elke docent om dit te doen? Op die manier zouden bruikbare innovaties zich als een olievlek over onderwijsland verspreiden. Dat zie je nu al gebeuren en dat zou de politiek aan het denken moeten zetten. Als we al dat geld en de tijd dat naar grote campagnes, projecten en bijbehorende bureau’s gaat nou eens gewoon bij docenten neerleggen en kijken wat er gebeurt. Ik denk dat het resultaat verbluffend zal zijn.

Deze column verscheen eerder in “Van Twaalf tot Achtien”

De geschiedenis van de toekomst van onderwijstechnologie

By | Uncategorized | No Comments

Audrey Watter heeft zoals gewoonlijk een heel erg goede post geschreven over onderwijs en technologie. Ditmaal over de geschiedenis van toekomstvoorspellingen over onderwijs en technologie. Welke voorspellingen werden er in het verleden gedaan over de toekomst van het onderwijs? Wat opvalt is hoe het discours niet heel wezenlijk is veranderd:

  • de dichotomie tussen progressief en klassikaal onderwijs:

“Computer-aided inspiration,” as Papert encouraged has been mostly trumped by “computer-aided instruction.

  • open versus gesloten technologie

“the primary purpose of the Dynabook was to simulate all existing media in an editable/authorable form in a highly portable networked (including wireless) form. The main point was for it to be able to qualitatively extend the notions of ‘reading, writing, sharing, publishing, etc. of ideas’ literacy to include the ‘computer reading, writing, sharing, publishing of ideas’ that is the computer’s special province. For all media, the original intent was ‘symmetric authoring and consuming’.”

“Isn’t it crystal clear,” Kay continued, “that this last and most important service [authoring and consuming] is quite lacking in today’s computing for the general public? Apple with the iPad and iPhone goes even further and does not allow children to download an Etoy made by another child somewhere in the world.

  • en overschatting van wat technologie kan bewerkstelligen. Ze citeert behaviorist Skinner:

“There is no reason why the schoolroom should be any less mechanized than, for example, the kitchen.”

En  de organisatie die de eerste computer aided instruction ontwikkelde, PLATO,  maakte de volgende ontwikkeling door:

From a machine at “the dawn of cyberculture” to one that delivered standardized testing for stockbrokers. The history of the future of ed-tech. Remember, new technologies are easy to develop; new behaviors and new cultures are not.

De boodschap is helder en een open deur, maar kennelijk heel moeilijk te begrijpen: de maatschappelijke context is doorslaggevend. En dat maakt het inderdaad een enorm complex probleem. We willen liever een quick-fix en daarom wordt onderwijs keer op keer geteisterd door solutionist oplossingen: “there is an app for that” En zoals Watters terecht stelt: de gestandaardiseerde cultuur van Skinner heeft het gewonnen van open en creativiteit van Papert. Papert zag technologie als middel om een onderwijskundige visie te bereiken. Gebruik en implementatie van technologie in het onderwijs vergt een diepgaande kennis en praktijkervaring op het gebied van onderwijs, technologie en de complexe maatschappelijke context. Ik weet wel waar die te vinden is.

Morozov, E. (2013). The Perils of Perfection  New York Times link

Watters, A. (2014). The History of the Future of Ed-Tech. Hack Education. Retrieved February 08, 2014, from http://hackeducation.com/2014/02/04/the-history-of-the-future-of-ed-tech/ link

Kennis vs Vaardigheden

By | Uncategorized | 3 Comments

Tegenwoordig kun je alles Googlen dus kennis is overbodig. Google als extensie van ons brein. Waarom zou je je dan nog bezig houden met kennis? Het gaat om vaardigheden. De vaardigheid om te zoeken bijvoorbeeld. Om informatie te verwerken. Toch? Fout.

Ik heb als docent de scheiding tussen kennis en vaardigheden nooit begrepen. Ten eerste is er natuurlijk het probleem wat er precies onder kennis wordt verstaan. Een korte blik op Wikipedia laat al zien dat de scheidslijn tussen kennis en vaardigheden niet makkelijk te maken is:

“de bekendheid met een persoon, zaak of verschijnsel. Dit kennen of deze bekendheid volgt uit ervaring en weten. Maar dit kan ook vastgelegd zijn in een document of abstracter in de samenleving aanwezig zijn.”

“het geheel van overtuigingen en inzichten die door wetenschappelijk onderzoek verkregen worden,”

Kennis is een persoonlijke bekwaamheid: een vermogen waarin weten en toepassing zijn geïntegreerd. Intellectueel kapitaal is de kennis, de informatie, het intellectueel eigendom en de ervaringen die kunnen worden aangewend om rijkdom te creëren.

Maar goed in de discussie wordt kennis vaak vernauwd tot begrippen, personen en jaartallen om maar dicht bij mijn eigen vak te blijven. Als we de geschiedenis even als voorbeeld nemen. Is er geen basiskennis aanwezig dan valt er niet zo heel veel te beginnen met de enorme complexiteit van alles wat mensen tot nu toe gedaan hebben. Een basisoriëntatie in tijd en plaats is nodig zonder je te verliezen in een overdaad van informatie. Hoe weet je anders waar je moet beginnen? Zelfs zonder deze nauwe definitie van kennis valt er niet te werken. Laat staan dat je verbanden gaat leggen tussen die verschillende stukjes kennis. En is dat weer geen kennis?Enfin, daar zijn sinds de oude Grieken al boeken over vol geschreven. Read More

Edubloggers badges 2014

By | Uncategorized | 4 Comments

Op veler verzoek en na lang aandringen van de senseis van de edubloggerswereld zijn hier de edublogger badges 2014! Omdat Willem (@trendmatcher) niet onder wilde doen voor Karin (@karinwinters) met haar “Edublogger Sensei Badge” heb ik speciaal voor hem een nieuwe badge gemaakt: de “Mr Miyagi Edublogger Badge” Oftewel Uber Sensei. Kopieer of download het plaatje en zet ze op je blog.

Edublogger

edublogger basic badge 2014 png small

https://www.dropbox.com/s/qvzzdjblm8k26vq/edublogger%20basic%20badge%202014%20png.png Read More

Leestip (PISA)

By | Uncategorized | 2 Comments

Deze column verscheen in 12-18

Het is weer zover, de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft weer zijn driejaarlijkse PISA rapport uitgebracht. Sidderend wachten onderwijsbewindslieden af hoe ze het er op de internationale ranglijsten vanaf brengen. Ranglijsten die gedomineerd worden door Aziatische landen, en Finland.  Ook in Nederland was er veel aandacht in de landelijke pers. En hoe deden we het in Nederland? We waren beter in Wiskunde dan de Finnen! Wat door het ministerie met gejuich werd ontvangen. En op de algemene ranglijst deden we het iets slechter.  In de pers was het eigenlijk alleen Bart Funnekotter die in NRC genuanceerd berichtte over het onderzoek. Verder was er helaas sprake van “scorebordjournalistiek en politiek”

Waarom maak ik me daar als docent druk over?  Omdat dit soort rapporten wel degelijk zinvolle dingen zeggen over ons onderwijs, maar even belangrijk: ze sturen ons beleid in toenemende mate en dat raakt ons werk in het klaslokaal.  Een regering die stelt dat we tot de “Top-5”  moeten behoren gaan op zoek naar instrumenten om dat te meten. En op de output van die instrumenten stuurt de regering. Wil je je als docent weerbaar opstellen dan moet je je bewust zijn van de maatschappelijke en politieke context waarin je opereert. Het rapport heeft enorme impact, terwijl er genoeg op aan te merken is. Als je je daar als docent en schoolleider niet tegenin gaat dan laten we ons teveel sturen door onwetende of misleidde politiek.

Het PISA onderzoek komt steeds meer onder vuur te liggen. Waar de OESO, en overigens ook andere onderwijsonderzoekers, hun data redelijk onfeilbaar achten is er erg veel op aan te merken, statistici zijn steeds kritischer over het gebruikte model en de methodologie. Daarnaast moet je ook kritisch kijken naar de manier waarop het gepresenteerd  wordt, een internationale ranking geeft enorme perverse prikkels.  Het verschil tussen landen kan niet significant zijn en toch kun je zo een paar plekken dalen of stijgen. Het is de OESO zwaar aan te rekenen dat ze de data op deze manier presenteren.  Koppel dat aan een zogenaamde  internationale PISA-dag en het zelf georganiseerde circus is compleet. Zo worden de PISA-onderzoekers een sturende partij in onderwijsbeleid en ondermijnen ze de neutrale wetenschappelijke status van hun onderzoek.

Kan het PISA-onderzoek dan in de prullenbak? Natuurlijk niet. Het is een onschatbare bron aan data die we moeten gebruiken om ons onderwijs te verbeteren. We moeten alleen niet doen alsof het een alleszeggend rapport is . Daarvoor is er teveel onzekerheid. Op micro-niveau kan het ook veel betekenen. De OESO ontwikkelt op dit moment een instrument voor individuele scholen om hun eigen onderwijsproces te onderzoeken ten opzichte van (inter)nationale uitkomsten. Daar zit veel potentie in, als alle beperkingen ook op dit niveau worden meegenomen en het een van meerdere indicatoren is. Niet de indicator.

Dit geluid, deze nuance, horen we nog te weinig en dat kunnen we onszelf aanrekenen. Als er vanuit de politiek een oekaze komt die leidt tot meer “teaching to the test” dan hebben we daar van docent, tot schoolleider, tot inspecteur, tot ambtenaar een keuze in om daar klakkeloos in mee te gaan of niet. Dat weet je alleen als je je bewust bent waar het beleid vandaan komt. Dus de leestip van deze week: Het PISA-rapport 2013

Update

Na een terechte opmerking van Gerard. Meerdere rapporten. Hier zijn ze te vinden. PISA Key Findings

Hier wringt het

By | Uncategorized | No Comments

Een druk werkende klas dinsdag het 6e uur. “Maar mijn antwoord is toch ook goed?” Verbaasd keek Roel op van zijn werk en het antwoordmodel. In dit geval ging de vraag over de Veertien Punten van president Wilson voor het post-Eerste Wereldoorlog tijdperk. Waarvan de inhoud overigens bij de meeste methodes al gesneuveld is, of ze noemen maar een paar van de veertien punten zonder al teveel inhoud. In dit geval ging het over een uitspraak Lloyd George, waarin en waarom de Britten inhoudelijk verschilden van de Amerikaanse president.

Ik was met 5 HAVO bezig met een toetsvoorbereiding. Na de vakantie hebben ze een summatieve toets. De eerste van het hele jaar voor een cijfer. En in die zin maken we ook een begin met de voorbereiding op hun examen. Althans, zo heb ik het ontworpen. Op een gegeven moment moet je leerlingen daar ook op voorbereiden. Wat moet je precies leren? Wat voor soort vragen kun je verwachten? Wat voor soort taal wordt er in de toets gebruikt? Welke trucs kun je gebruiken? Handelingen automatiseren. Leren hoe je moet leren voor een toets. Et cetera.  Veel vaardigheden, kennis en niveau komen natuurlijk al veel eerder formatief aan bod, maar een goede voorbereiding op het eindexamen is ook een taak van de docent en transparant voor de leerlingen.  En daar hoort in dit geval ook een cijfer bij.

Roel had een heel mooi antwoord geformuleerd over de vrijheid op zee, en wist ook nog over een paar andere punten historisch verantwoorde beredenering op te schrijven. Het antwoordmodel was echter heel summier. Een historische complexiteit teruggebracht tot twee korte zinnen over twee punten van Wilson.  Op UniC zijn leerlingen gewend om met de laptop (of tablet) te werken, met een enorme schat aan informatie tot hun beschikking. Deze oefentoets was een “open-boek” toets en natuurlijk kunnen ze dan diepgravender antwoorden dan de toets van ze verwacht. De leerstof staat online en daarmee zouden ze het juiste antwoord kunnen geven. Maar Roel ging gelijk door naar de veertien punten zelf en aan de hand van de bron formuleerde hij zijn antwoorden. Creatief, onderzoekend en met diepgang. Alles wat je wenst voor een kind nietwaar? Dat is niet hoe onze examens werken. Helaas.

De antwoordmodellen van de geschiedenisexamens schieten notoir tekort. Een algemene opmerking in het model van het CSE dat een juist antwoord dat niet in het antwoordmodel staat, maar wel historisch kan worden onderbouwd biedt ruimte, maar leidt ook tot veel verwarring.  Zoals ook te lezen is in het CITO-rapport over de tweede correctie. Op de opmerkingen over het geschiedenisexamen is wat mij betreft wel wat aan te merken. (zie pagina 17-22 van het rapport, en dan met name sommige antwoorden) Creativiteit van leerlingen wordt niet beloond, behalve als de docent en tweede corrector hier overeenstemming bereiken. Maar aangezien de teugels verder worden aangehaald zal het antwoordmodel steeds leidender worden. En met dat in het achterhoofd bereid ik mijn leerlingen ook voor.

Het gesprek dat we daarna voerden was ook interessant. Roel gaf aan dat hij niet dacht het zo simpel zou zijn. “Is dit het?” Ja dit is het inderdaad. Ik houd mijn leerlingen altijd voor dat het antwoordmodel niet meer is dan dat, een model. Je moet het systeem kennen en daarbinnen werken. En als je risico’s wilt vermijden je je ook aan dat model moet conformeren. Maar dat we tegelijkertijd twee dingen aan het doen zijn. Een diploma halen, maar ook voorbereiden op de wereld na de middelbare school. Roel’s werkwijze voldoet daar volgens mij veel meer aan dan het CSE.  Ik heb hem dan ook op zijn hart gedrukt dat zijn werkwijze op de lange termijn veel waardevoller was, maar dat hij dat voor de voorbereiding op zijn examen even aan de kant moest schuiven

“Maar mijn antwoord is toch ook goed?” Die zin, dat gesprek met Roel gaf voor mij helemaal weer waar het allemaal om gaat.  Waar het wringt in het klaslokaal. Teaching to the test is vaak een abstract begrip en dat blijft het vaak ook als je er over leest. In het klaslokaal wordt die abstracte schets ruwe werkelijkheid. Bovenstaande moet je ervaren, dan zie je dat je je als docent op een bijna niet te ontwaren glijdende helling aan het begeven bent. In hoeverre wordt de toets leidend? Voorlopig zullen de examens niet veranderen (daarover later meer) en daarom moet je je constant bewust zijn waarom je bepaalde dingen doet. Een les die ik ook uit Het Alternatief heb getrokken.

Excellentie of excelleren?

By | Uncategorized | 3 Comments

“Ieder kind het beste uit zichzelf laten halen. Dat is de kern van het onderwijs.” Zo schreef Staatssecretaris Dekker maandag in de Volkskrant.  Ik zou het zelf gezegd kunnen hebben. Alhoewel er veel lovenswaardigs in het stuk van de staatssecretaris staat, vraag ik me af of dit uiteindelijk werkelijkheid wordt.

Dekker koppelt dit aan de term excellentie. Excellentie is een statische lat voorbehouden aan de top-leerlingen van Nederland. Top uitgedrukt in cijfers wel te verstaan. Net zoals Nederland als enige onderwijsdoel heeft om in de top-5 van de PISA ranglijst komen, wordt Cum Laude kennelijk tot de maat der dingen verheven.

Goede cijfers en prestaties moeten gevierd worden. Absoluut. En moeten deze bollebozen dan niet worden uitgedaagd? Natuurlijk wel! Tot op het bot. Maar dat geldt voor elk kind. Ons onderwijs is veel te makkelijk, en curricula zijn nauw en weinig uitdagend geformuleerd. Als docent stoor ik me al jaren aan de gebrekkige opzet van onze examinering. Maar cijfers zijn tot doel verheven en teaching to the test wordt een steeds groter probleem in Nederland. Dat is een rechtstreeks gevolg van het beleid van de Staatssecretaris. Zie bijvoorbeeld de CITO-toets in het derde leerjaar van het VO.

In plaats van excellentie zou excelleren het uitgangspunt moeten zijn. Excelleren van elk kind. Excelleren is actief, geen doel, geen cijfer, maar een proces. Niet alleen de “top” of de “onderkant” verdient die uitdaging en de meest inspirerende docenten. Elk kind heeft daar recht op. En dat sluit ook aan wat op we weten van de enorme diverse ontwikkeling van kinderen en jongvolwassenen.

Gelukkig pleit Dekker daarom ook voor meer flexibiliteit in het onderwijs. Zo zou je op meerdere niveau’s examen moeten kunnen doen. Het is inderdaad een persoonlijk drama en zonde van het talent als een kind bijvoorbeeld heel goed is in de exacte vakken, maar niet in de talen en daarom een heel niveau moet afstromen.  Alleen stuiten we hier op veel praktische bezwaren die wel kunnen worden opgelost, maar waar Den Haag al twintig jaar niet aan wil. De cijfermatige afrekencultuur is al genoemd. Daarnaast houden beleidsmakers halsstarrig vast aan de 1040 uur onderwijstijd, die scholen elke vorm van flexibilisering ontneemt.  Hiermee samen hangt het aantal lesuren dat docenten in Nederland geven. Die zijn relatief heel hoog en dit ontneemt docenten de mogelijkheid om zelf een eventuele hervorming vorm te geven.  Scholen zijn hier nog helemaal niet op voorbereid. Neem bijvoorbeeld het rooster. Om een leerling bij ons op school versneld examen te laten doen in de helft van de vakken treden er gelijk veel dubbelingen op. Dat is prima op te lossen, maar dat vergt een compleet andere manier van lesgeven en schoolorganisatie. Om dat te kunnen vormgeven is geld en met name heel veel tijd nodig.

Den haag heeft tot nu toe altijd geprobeerd om grote hervormingen top-down en extern in te voeren. Terwijl hier, en internationaal, is gebleken dat alleen docenten zelf dit kunnen en moeten vormgeven. Dit kan alleen maar op micro-niveau met eigenaarschap en een buy-in van docenten. Scholen en docenten sluiten al steeds meer aan bij bredere internationale trends in het onderwijs, er wordt op lokaal niveau al flink geëxperimenteerd met Flipping the Classroom, MOOCs, Connected Learning,  de Maker Movement om maar een paar voorbeelden te noemen. Dat is excellent en inspirerend onderwijs. Die sluiten aan bij sleutelconcepten voor leren als uitdaging, nieuwsgierigheid, differentiatie, autonomie en grenzen verleggen.

Elke beleidsmaatregel in het onderwijs is tot nu toe gericht op een eenzijdige aanpak van het probleem. Kijk maar naar de problematiek rond het docentschap. Ik ben bang dat wel flexibele examinering wordt mogelijk gemaakt, maar dat de afrekencultuur en de onderwijstijd overeind blijven. Dan is het beleid al mislukt voordat het is begonnen. Het zou de staatssecretaris sieren als hij scholen en docenten in hun pionierswerk zou ondersteunen door juist die randvoorwaarden aan te pakken. Dan wordt het inderdaad mogelijk dat elk kind het beste uit zichzelf kan halen.